Vernietig wat vernietigd moet worden

In het 200ste geboortejaar van de componist Richard Wagner ( 1813-1883 ) verschijnt diens artistieke credo, Das Kunstwerk der Zukunft, voor het eerst in het Nederlands. Proza met onaangename bijgeluiden.

DOOR ELMER SCHÖNBERGER

'De kunst verhoudt zich tot de mens, zoals de mens zich tot de natuur verhoudt' - en dat dan in het Duits. Een boek dat zo begint, wekt de indruk van superieure professorale belangeloosheid. Hier wordt gedacht, geanalyseerd, wellicht gespeculeerd. Ook de zin waarmee het volgende hoofdstuk opent, mag er zijn: 'De mens geeft zijn leven spontaan vorm volgens begrippen die voortvloeien uit zijn willekeurige opvattingen over de natuur.'

Lezen we vervolgens dat 'de levensbehoefte van de levensbehoefte van de mens de behoefte aan liefde is', dan bekruipt ons, met die herhaling, het ware Heidegger-gevoel. Hier worden hoogten beklommen en vergezichten voorgespiegeld, met dank aan Hegel en Feuerbach. Maar de schrijver is geen échte filosoof en onvermijdelijk breekt het moment aan waarop hij uit zijn academische rol begint te vallen en de programmatische ondertoon van zijn betoog boventoon wordt. De allerminst belangeloze kunstenaar die onder de professorale toga schuilgaat, laat zich nu eenmaal niet de mond snoeren.

Auteur van Het kunstwerk van de toekomst is de 36-jarige componist Richard Wagner. Hij heeft naam gemaakt met Der fliegende Holländer (1843) en Tannhäuser (1845) en het wachten is op de première van Lohengrin (1850), het laatste werk dat hij als 'opera' zal betitelen. De toon van het uit 1849 daterende geschrift is er een van een man met een missie. Wat begint als een cultuurhistorische analyse ontpopt zich allengs als iets halverwege wensdroom en blauwdruk.

Inzet is de toekomst van de kunst. Niet zomaar kunst, maar 'de onvoorwaardelijke en directe uitbeelding van de volmaakte menselijke natuur', sterker nog, het kunstwerk 'als lebendig dargestellte religie'. Want zo kan het niet langer, constateert de schrijver, die met een 'weerzinwekkend' dít en een 'schandelijk' dát de kunst van zijn tijd de maat neemt en de strijd aanbindt met de 'heerschappij van abstractie en mode'.

Als hij, behalve aan mode, ergens het land aan heeft, is het egoïsme, het 'Joods-oriëntaalse nuttigheidsdenken' en geld (lees ook hier: Jood).

De schrijver van het toekomstvisioen is goed ingevoerd in het anarchisme van Proudhon, verkeert met Bakoenin, heeft de mond vol van communisme maar blijft uit eigenbelang ook een loyaal royalist. Aangeraakt door het revolutionaire elan van 1848 legt hij de theoretische basis voor een utopische kunst die het hart moet vormen van een utopische samenleving. Minstens zo drastisch als zijn interpretatie van het verleden is zijn visie op de toekomst. Vaak doet hij denken aan een dokter die een toverdrank heeft uitgevonden voor een kwaal die nog ontdekt moet worden. De kwaal is het met grof polemisch geschut gepostuleerde verval der kunsten, het medicijn het Gesamtkunstwerk.

Hoe breedsprakig en hoogdravend ook uit de doeken gedaan, in essentie is het schema vrij eenvoudig. In de religieus geïnspireerde Griekse tragedie, met zijn zusterlijk samengaan van dans, toonkunst en dichtkunst (de 'drie zuiver menselijke kunstvormen'), was volgens Wagner alles nog koek en ei.

Met het verval van de tragedie werden de kunsten bevangen door een heilloos 'verlangen om in afzondering en eenzaamheid vrij te zijn'. Dat kon alleen maar tot zelfgenoegzaamheid en steriliteit leiden. Toneelstukken louter om te lezen, dans als lomp vertier, muziek die niet langer een zaak van het hart maar van het hoofd is, poëzie die slechts haar eigen onbeholpenheid tot uitdrukking vermag te brengen: breek hem, Wagner, de bek niet open. Om van de beeldende kunsten, toch al van een lagere orde, nog maar te zwijgen.

Over welke kunstvorm de schrijver zijn licht ook laat schijnen, zijn conclusie, hoewel in vele varianten herhaald, luidt onveranderlijk dat er maar één remedie is en dat is de vernieuwde hereniging van de kunsten in het drama. Het drama is immers 'de hoogste vorm van de lyriek, waarin iedere kunstvorm haar hoogste vermogens realiseert'. Als enige lichtpuntjes in het duister van de geschiedenis zijn daar Shakespeare en Beethoven. Shakespeare, de grootste dichter aller tijden, al is zijn werk nog niet het grootste aller tijden. En Beethoven, die er in zijn Vijfde symfonie 'bijna in slaagde om de uitdrukking van zijn muziek tot een morele conclusie te brengen'.

Bijna, maar net niet, want voor Wagner is puur instrumentale muziek een music minus one. Pas de Negende symfonie met zijn gezongen boodschap heeft de muziek verlossing gebracht. Wagner noemt het werk 'het menselijke evangelie van de kunst van de toekomst'. Hij bedoelt: de springplank voor het Gesamtkunstwerk, waaraan hij in de komende decennia in de Ring des Nibelungen persoonlijk gestalte zal geven. Een groots samengaan van de kunsten moet het worden, met de muziek als eerste onder gelijken, met de held als spil en de dood als bekroning. De dood, ja. Omdat we in de bewuste uitbeelding daarvan 'de volheid van het menselijk wezen het beste leren kennen'.

Zoals zo veel zieners - of het nu Marx of Schönberg is - beschouwt Wagner zijn geesteskind niet als mogelijkheid maar als noodzakelijkheid. Het Gesamtkunstwerk, gepresenteerd als de onomkeerbare uitkomst van onverbloemd partijdig in kaart gebrachte historische tendensen, zal als kroon op de wagneriaanse schepping de ultieme verlossing brengen. Waarvan precies - behalve van waanideeën en dwaalwegen - wordt niet erg duidelijk.

Erlösung is een toverwoord, maar met een moeilijke bijklank. Al even moeilijk is het om zonder bijgedachten de eindeloze palavers over 'gemeenschap' en 'volk' te lezen - volk dat moet vernietigen wat vernietigd moet worden, om zo de toekomst veilig te stellen.

Of over de mokerslag die een eind moet maken aan de hele uit de hand gelopen muzikale santenkraam van 'weerzinwekkend sentimentele Italiaanse opera-aria's of verdorven Franse cancandeuntjes'. Onschuldige malligheid?

Het is vooral de toonzetting die de lectuur van Het kunstwerk van de toekomst bij vlagen zo ongemakkelijk maakt. Even ongemakkelijk als, ook bij vlagen, het wagneriaanse muziekdrama zelf, althans in de perceptie van de niet-aficionado. Natuurlijk herkent deze in het Gesamtkunstwerk het compositorische wonder, maar hij bespeurt er ook dezelfde superieure, geen tegenspraak duldende, oeverloze, humorloze, pompeuze en soms ronduit giftige toon in.

Waar de ware wagneriaan zich verliest in een mythomaan levensgevoel en een bijbehorende Weltanschauung, probeert de deeltijdbewonderaar zo goed en zo kwaad als het gaat de vorm van de inhoud te scheiden, in de overtuiging dat zonder de geniale verpakking het opgeblazen gedachtengoed allang zijn aantrekkingskracht had verloren.

Wie Wagners ideeën over Het kunstwerk van de toekomst wil leren kennen, kan gerust volstaan met de voortreffelijke inleiding van vertaler Philip Westbroek. Wie de componist wil horen oreren, moet het al even voortreffelijk vertaalde boek zelf maar lezen.

Berucht essay

Een ruimere keuze uit Richard Wagners proza verschijnt dit najaar bij uitgeverij IJzer, eveneens vertaald en toegelicht door Philip Westbroek. Geschriften over kunst, politiek en religie telt 320 pagina's en bevat onder meer Das Judentum in der Musik, Wagners beruchte essay over de 'Joodse kunstsmaak'.

Wagnerjaar

Ter gelegenheid van Richard Wagners 200ste geboortejaar brengen de Bayreuther Festspiele deze zomer een nieuwe productie van diens vierdelige opera Der Ring des Nibelungen. Regisseur Frank Castorf situeert de handeling 'kort na de Tweede Wereldoorlog', en laat de strijd draaien om het 'Rijngoud' van onze tijd: olie.

undefined

Meer over