Vermeer, zonnekoning

De schilderijen van Johannes Vermeer lijken wel aangelicht door een geheimzinnige lichtbron. Recent onderzoek toont aan waar die stralingskracht vandaan komt.

De laatste jaren van zijn leven lag de Franse romancier Marcel Proust (1871-1922) voornamelijk in bed. En in al die jaren schreef hij tussen de lakens aan zijn immense boekwerk À la recherche du temps perdu. Koffie, croissants en af en toe een koud biertje werden hem op bed geserveerd. Vrienden ontving hij nog louter in de slaapkamer. Maar een jaar voor zijn dood kleedde Proust zich nog eenmaal aan om naar buiten te gaan. Aanleiding: de grote Vermeertentoonstelling in museum Jeu de Paume in Parijs.

Uit een passage in zijn levenswerk blijkt waarom. Daarin wordt een van zijn personages, de schrijver Bergotte, gegrepen door een detail in Vermeers schilderij Gezicht op Delft: een stukje goudgele muur van nog geen 5 vierkante centimeter groot. Proust moet een goed oog hebben gehad waar de kracht van Vermeer lag. Te midden van alle andere muurtjes en daken op het schilderij schitterde dat ene muurtje de schrijver tegemoet. Niet zozeer omdat er in het tafereel de zon op schijnt, maar omdat Vermeer het laat oplichten, vanuit de gebruikte kleuren zelf. Waardoor het líjkt alsof de zon erop schijnt. Het is een subtiel, maar zeer karakteristiek verschil.

De Amerikaanse kunsthistoricus Arthur Wheelock probeerde later de fascinatie van Proust voor dat ene stukje canvas te verklaren. Hij constateerde dat Vermeer het geel over een dun laagje zalmkleurige verf had geschilderd. En suggereerde daarmee dat de twee kleuren bij elkaar opgeteld de briljantie opleverde waarvoor Proust in katzwijm was gevallen en schrijver Bergotte in het boek uiteindelijk laat sterven.

Nu heeft wetenschappelijk onderzoek uitgewezen dat Wheelock wel eens gelijk zou kunnen hebben. Het verklaart hoe Vermeer zijn kleuren schilderde en waar die innerlijke lichtkracht vandaan kwam.

Visuele dreun

Vorige week werd Vermeers schilderij Brieflezende vrouw na ruim een jaar en een grondige restauratie weer eens in het Rijksmuseum getoond. Het schilderij is niet alleen hersteld en schoongemaakt, waardoor we een beter beeld hebben hoe het ooit was. Dankzij analyse van verfmonsters en nieuwe scantechnieken is ook duidelijk geworden waarom de blauwe jas van de dame zo intens oplicht. Wat blijkt: onder het half transparante ultramarijn zit een eveneens deels doorzichtige kopergroene glacélaag. Die zorgt ervoor dat het blauw een optimale visuele dreun geeft.

Of daarmee de kleurkracht van alle 34 Vermeers wetenschappelijk is verklaard? Nee, natuurlijk niet. Het sluit wel aan bij de indruk die de schilderijen van Vermeer altijd al hebben gemaakt, namelijk dat de kleuren als het ware van achter, als door een geheimzinnige lichtbron worden aangelicht. Want dat hebben die schilderijen altijd laten zien. Of het nu om het wit gekalkte muurtje achter Het melkmeisje gaat, het geel van het hesje van De koppelaarster of de bakstenen gevel in Het straatje. En ja, dat ene stukje gele muur in het Gezicht op Delft.

Volgens de restauratoren was Vermeer in deze manier van onder- en overschilderen in de 17de eeuw een uitzondering. Je ziet het blijkbaar bij geen enkele andere schilder uit die tijd. Wat op zich een interessante vaststelling is. Zeker omdat het werk van de meeste andere schilders van de Gouden Eeuw op het eerste gezicht inderdaad een andere indruk maakt. Namelijk deze: dat het licht niet (zoals bij Vermeer) van binnenuit komt, maar er als het ware van buiten op geprojecteerd wordt.

Neem het oeuvre van Rembrandt. Rembrandt wordt wel gezien als de Hollandse grootmeester als het gaat om licht en donker. Hij kon als geen ander een figuur op zijn schilderij als met een spotje dramatisch uitlichten. Rembrandt maakte het tot een van de belangrijkste stijlmiddelen in zijn werk. Naast zijn robuuste verfgebruik was het zijn handelsmerk. Denk aan de treurende Jeremia, de in zichzelf gekeerde Bathseba, het opengesneden lijk in De anatomische les van dr. Jan Deijman, het peinzende gezicht van zijn zoontje Titus achter een lessenaar.

Coulissen

Onbetwist hoogtepunt is natuurlijk De nachtwacht. Dat doek heet niet voor niets zo: als een cineast of toneelregisseur laat Rembrandt de soldaten van Banning Cocq, vanuit de donkerte naar voren marcheren - het licht in. Vanuit de coulissen hoor je gewoon de stem van Rembrandt die regie-aanwijzingen geeft aan zijn acteurs en belichters. Veel van Rembrandts schilderende tijdgenoten kozen voor vergelijkbare ensceneringen. Gerard Dou, Jan Steen, Ferdinand Bol, Frans Hals - allemaal werkten ze vanuit een zelfde clair-obscuropvatting, zoals het stijlbloempje officieel heet. Met personen die opdoemen uit de duisternis en die plots in een bundel toneellicht gevangen worden, die ergens van buiten het schilderij op hen wordt gericht. Overigens zijn ze daarmee allemaal schatplichtig aan de grondlegger van deze beeldopvatting: Caravaggio (1571-1610). De Italiaanse schilder heeft met zijn harde uitlichting een beeldopvatting in de schilderkunst geïntroduceerd die over heel West-Europa navolging kreeg. Ook in Nederland, zoals de stroming van de Utrechtse caravaggisten wel aantoont.

Natuurlijk gebruikte ook Vermeer de dramatiek van het clair-obscur, waardoor lichte personen en voorwerpen tegen donkere delen worden afgezet. Maar daarbinnen is zijn kleurgebruik, de luminescentie van de verf van een ander soort. Vermeer gebruikt de kleur zelf als lichtbron - zonder de suggestie dat er nog een aparte lamp op wordt gericht. Het is een opvatting die dichter ligt bij hoe icoonschilders dunne kleurlaagjes over elkaar schilderen en bladgoud gebruiken. Of hoe bij glas-in-lood het zonlicht door het gekleurde glas je tegemoet schijnt.

Vooral in de Middeleeuwen werd de techniek van het laag op laag aanbrengen van kleurlagen die elkaar versterken, verfijnd. Uiteindelijk gaat het bij Vermeer om de stralingskracht die door de pigmenten zelf wordt veroorzaakt. Niet door de illusie van een externe lichtbron.

Deze ingetogen opvatting van Vermeer past goed bij zijn even ingetogen voorstellingen. Bij hem geen dramatiek en geen krachtige lichtbundel die een bepaald detail in vuur en vlam moet zetten, om aandacht te trekken. Er heerst een serene rust in zijn schilderijen. Vrouwen lezen een brief, gieten melk uit een kan. Over licht en aandacht, drama en hectiek maken ze zich geen zorgen.

De Delftse schilder mag dan een uitzondering en Einzelgänger binnen de 17de-eeuwse kunst zijn geweest, hij was, gezien de kunst uit latere eeuwen, ook een voorloper, misschien wel een vernieuwer. Vooral met betrekking tot de kunst van de afgelopen eeuw... Schilders als Barnett Newman en Mark Rothko beschilderden hun canvas vanuit een vergelijkbare benadering als Vermeer. In dunne, semitransparante kleurlagen over elkaar. Waardoor de doeken van binnenuit lijken te gaan gloeien.

Daarom was iedereen ook zo pissig over de restauratie van Newmans Who's Afraid of Red, Yellow and Blue uit het Stedelijk Museum. Het immense schilderij met zijn brede rode vlak, geflankeerd door een smalle streep geel en blauw, was in 1986 door ene Gerard Jan van B. met een stanleymes bewerkt. Onherstelbaar zo leek het. Totdat restaurateur Daniel Goldreyer het onder handen nam. Maar die sausde het eenvoudigweg over, met een afsluitende kleurlaag. Het rood kon niet meer ademen, de onderlagen konden niet meer doorstralen en daarmee was het hele luminicerende effect verdwenen.

Maar denk ook aan de 'foto's' van de Canadees Jeff Wall. Wandvullende opnamen die op lichtbakken worden gepresenteerd. Als een immense dia, een modern glas-in-loodraam. Zijn werk heeft daardoor een veel helderdere, krachtigere werking dan in de gewone fotografie mogelijk is. Belichting vanuit de zaal vervangt Wall door belichting vanuit het kunstwerk zelf. Als Vermeer van de techniek had geweten, zou hij hem zeker hebben toegepast.

Johannes Vermeer. Je zou hem met recht de sfinx van Delft kunnen noemen. Weinig is er over hem bekend. Geboren in 1632, 43 jaar later gestorven, 34 schilderijen gemaakt. Voornamelijk binnenhuisscènes met veelal invallend licht van links. Het kleine oeuvre deed Han van Meegeren besluiten enkele vervalsingen te maken, zoals het schilderij De Emmaüsgangers, dat in 1937 door Museum Boijmans Van Beuningen werd aangekocht. In 1945 biechtte hij zijn vervalsingen op. En stierf twee jaar later.

undefined

Meer over