'Verloren Israëlieten' komen thuis

Joodse bekeerlingen uit India zijn extatisch omdat ze mogen terugkeren naar Israël. Ze geloven dat ze behoren tot een verbannen en verloren gewaande Israëlitische stam.

GIVAT HAVIVA - Het is halverwege de middag en bij het immigrantenopvangcentrum in Givat Haviva hangt een sfeer van blijde verwachting. Langs het pad naar de ingang staan een paar honderd 'Bnei Menashe' ('Zonen van Manasse') paraat. De mannen repeteren een welkomstlied. Met Israëlische vlaggetjes zwaaiende kinderen vormen een erehaag. Dan, drie kwartier te laat, stopt een limousine aan het begin van het pad. Een eerbiedwaardige heer met een grijze baard en een zwarte pillendoos op het hoofd stapt uit en schikt zijn zwarte, met zilverborduursel afgezette mantel. Er gaat gejuich op. De mannen grijpen elkaar bij de hand en dansen zingend om de hoge gast. Daarna gaat het richting ingang, een gitarist voorop.

Een Israëlische voorbijgangster bekijkt het tafereel met open mond. 'Het lijkt wel of de paus is aangekomen', zegt ze meewarig. Maar de man in het zwart is de Sefardische opperrabbijn Shlomo Amar en voor de Bnei Menashe betekent hij meer dan duizend pausen. Hij was het die in 2005 bepaalde dat voormalige christenen uit het Indiaas-Birmese grensgebied naar Israël mochten komen om zich te bekeren tot het jodendom. Ze noemen zich 'Zonen van Manasse' omdat ze geloven af te stammen van een van de tien Israëlitische stammen die 2.700 jaar geleden zijn verbannen door Assyrische koningen, om daarna spoorloos te verdwijnen.

Voor de Bnei Menashe zijn duizenden jaren als een ademtocht. 'Ik heb niet het gevoel dat ik een vreemdeling ben in het Land Israël', zegt David Gangte (30), die in januari is aangekomen uit de Indiase deelstaat Manipur. 'Het is alsof ik hier al eerder ben geweest. Alles komt me bekend voor. Ik heb veel over ons land gedroomd en nu heb ik een nieuwe droom: hier in Israël een bestaan op te bouwen voor mij en mijn gezin.' Ook Davids vrouw, Eliana (26), dochter Sofia (8) en zoontje Ben-Zion (5) zijn extatisch. Sofia: 'De kinderen vroegen me gisteren hoe het moet met kosher eten als we teruggaan naar India. Ik zei dat ze zich geen zorgen hoeven te maken omdat we hier altijd zullen blijven.'

Tot ver in de twintigste eeuw was het Indiaas-Birmese grensgebied zo goed als afgesloten van de buitenwereld. De bewoners behoorden tot animistische stammen die zich soms te buiten gingen aan kannibalisme. Vanaf de 19de eeuw opereerden er Britse en Amerikaanse zendelingen en tegenwoordig behoort 83 procent van de bevolking van de deelstaat Mizoram en 30 procent van Manipur tot evangelisch-christelijke kerken en opwekkingsbewegingen.

In 1951 had Chalianthanga, een leider van de Pinkstergemeenschap in Mizoram, een droom. Daarin vertelde God hem dat de Mizos afstamden van verdwenen Israëlieten. Ze moesten terugkeren naar hun thuisland, Israël, om de godsdienst van hun voorvaderen te belijden. Steeds meer Bnei Menashe begonnen overeenkomsten te zien tussen hun eigen voor-christelijke tradities en die van de oude Israëlieten, zoals in offerpraktijken.

David en Sofia Gangte groeiden op in christelijke gezinnen. 'We wisten niets van jodendom of van onze afstamming van Manasse', zegt David. 'Pas toen ik twaalf jaar was, kwam de ommekeer. Mijn ouders beseften ineens dat ze tot de Bnei Menashe behoorden. Ze werden zich daarvan bewust door een joodse leraar. Het bracht een enorme verandering in ons leven. Ons gezin werd gelukkiger want vanaf dat moment wisten we wie we waren.'

Slechts een kleine minderheid van christelijke bevolking van Mizoram en Manipur noemt zich Bnei Menashe. Ze hebben huiskamers ingericht als synagogen, de mannen dragen keppeltjes en de vrouwen houden het haar bedekt. Het leidt soms tot spanningen met de christelijke omgeving. 'De mensen lachen ons uit', zegt David. 'Onze jongens wordt op straat het keppeltje van het hoofd gerukt.'

De 270 Bnei Menashe die zich in Givat Haviva voorbereiden op een nieuw bestaan zijn de afgelopen maanden in kleine groepen aangekomen. Hun reis en opvang zijn mogelijk gemaakt door 'Shavei Israël', een particuliere organisatie onder leiding van journalist Michael Freund, die zich richt op het naar Israël brengen van verloren gewaande Joodse gemeenschappen.

Freund noemt de komst van de Bnei Menashe 'een wonder van bijbelse en historische proporties'. Maar zijn overtuiging wordt niet door iedereen in Israël gedeeld. Tot 2007 heeft de overheid 1.700 Bnei Menashe toegelaten, aanvankelijk alleen op toeristenvisa. 'Meir Shitrit, destijds minister van binnenlandse zaken, maakte daar een eind aan', zegt Freund bitter. 'Hij wilde geen mensen meer binnenlaten 'met een zak over de schouder en een stok in de hand', zoals hij zich uitdrukte. We hebben druk moeten lobbyen voor we afgelopen oktober toestemming kregen om deze groep naar Israël te halen. Er wachten in India nog zevenduizend Bnei Menashe op emigratie.'

Freund zegt dat ook hij in het begin zijn twijfels had. Maar gesprekken met oudere Bnei Menashe hier en in India hebben hem ervan overtuigd dat er onder hen een lange 'joods-achtige' traditie bestaat. Toch neemt het rabbinaat het zekere voor het onzekere: iedere Bnei Menashe die naar Israël emigreert moet een orthodox-religieuze bekeringsprocedure ondergaan.

Shalva Weil, antropologe aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem en kenner van de Bnei Menashe, wijst erop dat er geen nauw omschreven Bnei Menashe-gemeenschap bestaat: 'We hebben het over mensen uit verschillende stammen, die ook nog eens verschillende talen spreken.' In Mizoran en Manipur wonen miljoenen mensen, zegt Weil. 'De grote meerderheid is nog christen, maar morgen kunnen ze zich ineens joods noemen. Er is geen limiet.'

undefined

Meer over