Verloren in een ongrijpbaar land

Sporen van wilde kamelen, kakkerlakken zo groot als een kikker, een reusachtige arend bovenop een kalf. Betoverende tochten, de bergen in, de woestijn, of zomaar naar 'the middle of nowhere, en dan donderdag rechtsaf'....

PETER BRUSSE

SEE Alice while she is hot', stond op de toeristenaffiches van Alice Springs. 'Ja,' zegt onze gastheer in Sydney, 'als je het barre en boze wil zien, de Australiër met de leren huid, dan moet je naar Alice. Nu is het er heerlijk, straks met Kerstmis kun je veertig graden verwachten. En dat is heet.'

Drie uur vliegen, 2100 kilometer, anderhalf uur tijdsverschil en als we aankomen in het dorre hart van Australië giet het van de regen. Het is koud en kil. Zware wolken. Maar de mensen zijn opgewonden. Er zit water in de Todd River. En dat is bijzonder. Ieder jaar is er in Alice een Henley-on-Todd Regatta, een roeiwedstrijd in de droge bedding van de rivier. De roeiers steken hun benen door gaten in de boot en rennen voor hun leven. 'Australiërs laten zich niet kennen.'

Wat moeten we doen? Een regenjas, een paraplu kopen? Lezen in een hoekje? 'Jij bent geen pionier', zegt mijn vrouw. Alice bestaat uit vijf korte straten met saaie laagbouw die niet boven de telegraafpalen uitkomt. Een papegaai krast kwaadaardig; een ander, vijf palen verder, scheldt terug. Ik scheld mee. Alleen maar toeristenwinkels, reisbureaus en aboriginal-winkels met boemerangs. Volendam in de woestijn; met regen.

Twee uur later is het droog, de wolken verdampen en de lucht is wonderbaarlijk blauw. De zon, pal boven ons hoofd, is fel en steekt. Aan de rivier is het feest. Kinderen lopen het water in en bekogelen elkaar met brokken klei die de snelstromende rivier zachtbruin kleuren. Wegen die door de rivierbedding lopen zijn afgezet. Onder de eucalyptusbomen zitten aboriginals. Dat is geen vrolijk gezicht. De meesten zijn dronken; ze schreeuwen, lachen of kijken wezenloos voor zich uit. De grond is bezaaid met lege wijncontainers van aluminiumfolie, schitterend in de zon, als bewijzen van herwonnen territoir. De stank is weerzinwekkend. Bruce Chatwin, die zijn fascinerende reisboek The Songlines, een zoektocht naar de onzichtbare 'zangroutes' van de aboriginals, in Alice Springs begon, schreef: 'Er gaat een huiveringwekkende kracht uit van deze schijnbaar passieve mensen die zitten, kijken, wachten en op het schuldgevoel van de blanken inspelen.'

We lopen Alice uit, zien schooljongens met grote hoeden 'awfully English' cricketen en wandelen over het rode zand en de rotsblokken naar The Spring, de rond 1870 ontdekte bron, die geen bron bleek te zijn. Alice is de naam van de vrouw van de beheerder van het telegraafkantoor, het tussenstation in de wildernis, dat Australië met de wereld verbond. Toen het kantoor in 1932 sloot, werd het een internaat voor halfbloed-kinderen die van hun aboriginal-moeder waren weggenomen.

Het gebouw is leeg, we willen verder, het pad volgen, de bush in, maar de zon zakt snel. We gaan zitten en kijken naar de mieren, de salamanders, de bizarre rotspartijen. Ik krijg het vreemde gevoel dat er iets niet klopt, dat ik aan de verkeerde kant van de wereld hang als een dromende vleermuis. Alle heuvels, pieken, kloven, lees ik, zijn voor de aboriginals heilige plaatsen, met hun eigen scheppingsverhalen, vooral over rupsen. De aboriginals van Alice Springs, de Arrernte, stammen af van de rupsen.

We wandelen terug naar het centrum en gaan eten in het duurste restaurant met kangoeroe en krokodil op het menu. Halverwege de maaltijd zie ik hoe een kakkerlak, zo groot als een kikker, van de vloer tegen de muur opklimt. Een paar happen kangoeroe verder en mijn vrouw ziet wel twintig, dertig kakkerlakken als een leger oprukken. Een dame rent gillend weg. De ober in zwart pak slaat met zijn witte doek een kakkerlak van de muur. En dan gaat hij dansen. 'Dit is de kakkerlakkenshuffle. Maakt u zich geen zorgen, dit is de meest giftige plek ter wereld. Als u eens wist wat hier onder de grond leeft aan giftige beesten. Een prik van de roderugmier vertel je niet na. Let's dance, dames en heren, de kakkerlakkenshuffle.'

De volgende ochtend is de rivier vrijwel verdwenen. We huren een auto en weten niet waar we heen moeten rijden. Je kunt zoveel tochten maken: de bergen in, de woestijn in of zo maar naar 'the middle of nowhere en donderdag rechtsaf'. Je kunt dagen wandelen zonder iemand tegen te komen. Maar voor je het weet, besef je dat je nooit zonder water op stap mag, zelfs niet in de auto met airco. We rijden langs het graf van John Flynn, de zendeling die in de jaren twintig The Flying Doctors, heeft opgericht, de vliegende artsen, die met hun vliegtuig binnen twee uur op de meest afgelegen plaatsen zijn. De televisieserie heeft hen vereeuwigd.

De tweebaanssnelweg, de Stuart Highway, is ruim drieduizend kilometer lang. Hij is eindeloos, er is vrijwel geen verkeer en ik begrijp wat iemand bedoelde die schreef: 'Die weg verandert in een zwijgend monster en maakt mij doodsbang.' Het is verrukkelijk om een tegenligger te zien of een witte road train te passeren, een vrachtwagen met drie aanhangers en 64 wielen. Niemand kent hier de maat der dingen. We slaan af, gaan het Macdonnell-gebergte in en raken betoverd door de stilte. Iedere keer als je gaat zitten, lijkt het of de bomen, de planten, de dieren een spel opvoeren waar je ademloos naar kijkt en luistert. Maar altijd zijn er weer vliegen die je uit de trance halen. Ik wil een hoed met kurken aan een touwtje.

We komen bij Hermannsburg, een verlaten Lutherse missiepost. Een tragedie van zelfopoffering, goede bedoelingen, weinig zieltjes en veel verdriet. De eerste zendelingen hielden het honderd jaar geleden tien jaar uit. De settlers waren hun vijand. Die wilden de aboriginals, de veedieven, het liefst uitroeien. Maar Hermannsburg bracht een groot kenner van de aboriginals voort, Ted Strehlow, de zoon van een zendeling, die werd verguisd en doodgepest. En op de zendingspost werkte de eerste 'westerse' aboriginal-schilder, Albert Namatjira, die kort nadat hij als eerste aboriginal het Australisch burgerschap had gekregen, de gevangenis inging. Als Australiër mocht hij alcohol kopen. Hij had het doorverkocht aan zijn familie. Ook hij ging aan drank ten onder.

Op de terugweg zien we sporen van wilde kamelen. De eerste kamelen kwamen eind vorige eeuw uit Afghanistan en werden ingezet bij de bouw van de spoorlijn van Adelaide aan de zuidkust naar Alice Springs. Toen de Ghan-spoorweg na vijftig jaar eindelijk klaar was, werden de kamelen losgelaten. Er zijn ruim 100 000 wilde kamelen; ze worden gevangen en voor veel geld naar het Midden-Oosten verkocht om daar het gedegenereerde ras te verbeteren.

H ET blijft heet en de ijle lucht-

spiegeling werkt hallucinerend, alsof we in het niet verdwijnen. Terug in Alice besluiten we verder per bus te reizen.

Allereerst naar Ayers Rock, 350 kilometer oftewel acht cattle stations ver. De grootste heeft een oppervlakte van half Nederland. Op die boerderij werken hoogstens tien mensen, vertelt de chauffeur. Er zijn dertigduizend koeien. Ik vraag waar de boer woont. 'Zeventig kilometer van de snelweg, aan het zandpad dat we net passeerden.' De chauffeur, een verwoed bushwalker, wijst op rode bloempjes, de parakeelya's, die overal op de kale grond bloeien. 'Alleen na zware regen. De boeren haten ze. Het zijn waterhoudende vetplantjes. Als het vee die bloemen eet, gaat het niet terug naar de waterplaats. Als de planten verdorren, zijn de koeien verdwaald, ze kunnen de waterplaats niet meer vinden en gaan binnen een dag dood.'

Er vliegt een kaketoe tegen het raam. 'Stomme beesten. Je kunt ze alleen maar leren vloeken.'

In de bus zitten vrij veel toeristen, vooral backpackers, jongens en meisjes die vaak maanden in hun eentje door Australië trekken, als moderne pelgrimgangers op zoek naar hun eigen songlines. Vaak werken ze een paar weken bij een boer. Allemaal houden ze lange dagboeken bij.

We stoppen bij een roadhouse, dat volgens goed Australisch gebruik '25 uur per dag open is'. Toen de eigenaar hier dertig jaar geleden met zijn vrouw kwam wonen, dacht ze een half jaar lang dat het een grap was, omdat je in deze woestenij niet kunt leven. Nu weet ze wel beter. De kinderen gingen naar the school of the air, de schoolradio, waar kinderen en leraren via de radio met elkaar praten.

We rijden verder. Het is stil. Een reuzenarend kluift een kalf op dat bij het oversteken is verongelukt. Voor een foto zijn we te laat. En dan verrijst in die eindeloos platte zandvlakte met zijn verdwaalde bomen en een toefje woestijngras: Ayers Rock. Als een misvormde tulband, waar speciaal voor jou de bakvorm vanaf is gehaald. Ayers Rock geldt als een van de grote wonderen van de natuur, en wie eraan twijfelt heeft pech gehad. Het duurt even voor de ingebouwde scepsis is overwonnen. Weer overvalt ons dat machteloze gevoel verloren te zijn in een ongrijpbaar land dat zich westers voordoet, maar verder weg ligt dan Papoea Nieuw-Guinea. We mogen de bus uit om vijf minuten te proeven wat de ontberingen zijn geweest van William Christie Gosse die, op zoek naar water, in juli 1873 als eerste blanke dit enorme rotsblok zag en beklom. De rots is honderden miljoenen jaren oud en ontstaan uit het bezinksel van rivieren, die uitmondden in een binnenzee. De zee is verdwenen, de rots is gekanteld en het grootste stuk ligt onder het zand. Ayers Rock is maar 350 meter hoog, was tien keer zo hoog, maar is door de woestijnstormen afgeplat. De roestige monoliet laat water door en zorgt zo voor een oase die er als een groene krans omheen ligt.

Nu, in de zomer, is het te heet om de rots overdag te beklimmen. We gaan, alsof het een toegift is, naar de Olga's, een bergrug met reuzenhoofden, gezichten en koppen die misschien nog mysterieuzer zijn dan Ayers Rock, die weer zijn aboriginal-naam, Uluru, heeft teruggekregen. In de Olga's mag je wel rondlopen. Daar, in de 'Vallei van de Wind', word ik draaierig van de hoge tonen en we gaan verder op onze magical mystery tour. Tegen zevenen komen uit alle hoeken en gaten auto's, bussen, motoren en wandelaars naar dezelfde plek om Uluru of Ayers Rock bij zonsondergang te fotograferen. Er verschijnen klapstoeltjes, er komt champagne en er worden duizenden filmpjes volgeschoten. De berg verandert langzaam in een dieprode, zongestoofde tomaat en dan plotseling is hij grijs; een slapende olifant.

Die avond is het rustig in het Ayers Rock Resort, de vernuftig aangelegde nederzetting van hotels, jeugdherberg en camping. Er wordt gebarbecued, wat gezongen en we kijken naar de meest heldere sterrenhemel ter wereld. Vroeg naar bed, want voor zonsopgang willen wij Uluru beklimmen. De een gaat naar Mekka, de ander naar Lourdes en wij naar Uluru, ofschoon de aboriginals de heilige berg voor zichzelf willen houden. Ik zondig en raak klimmend over de vlakke rotswand in paniek. Word ik als straf weggevaagd door de onverwachte wind? Ik zou niet de eerste zijn. Ik grijp naar de ketting waarlangs we als mieren naar boven klauteren. Alle Japanners dragen witte handschoenen. Boven lijkt het of we op een immens, leeg plein zijn geland. De zon gaat op en ik drink een fles water.

Ik wil blijven zitten, bang voor dit ontembare, mysterieuze land en kijk of ik nog kangoeroes of wallaby's zie, die hun schuilplaats tegen de zon gaan opzoeken. We voelen overal om ons heen de verhalen, plukken ze als bessen van de struiken, luisteren naar de stilte en schuifelen beduusd over de gladde rots naar beneden, als gediskwalificeerde kampioenen. Maar de sensatie was meer dan de moeite waard.

Toch is de wandeling rond de rots zeker zo overrompelend. Van de nonchalant volmaakte welving van de grotten en de holen, denk ik, kan Nikki De Saint Phalle nog veel leren. We lezen over de volwassenheidsriten die hier plaatsvonden, zien de rotstekeningen in de muren met hun okeren, gele, groene en blauwe teinten, en we zoeken de plek waar de aboriginal-vrouwen schuilden en voor hun kinderen het levenspad uitstippelden en voorzongen.

Het is heel wat voor de vroege ochtend. Maar we willen meer. In het Aboriginal Cultureel Centrum bij de rots slurpen we alle foto's, wandschilderingen, muziek en legendes op, zuigen ze leeg als het ei van een heilige slang. We raken diep onder de indruk. We kijken naar een documentaire over vrouwen, die dansen en zingen rond een enorme totempaal die zij aaien en strelen. 'De Monica Lewinsky dans', verzucht een laaghartig wezen en dat lucht op.

Die avond nemen we de nachtbus, verder de woestijn in. 'Niet schrikken als ik plotseling rem voor overstekend vee,' zegt de chauffeur. 'Voor wie niet gaat slapen draaien we, speciaal voor de buitenlanders aan boord, een film over het leven hier in de Outback, spannend en a few good jokes.'

Meer over