Verloren in een nieuwbouwwijk

Ze mogen niet voetballen, niet blowen, niet luisteren naar hun gettoblaster en zelfs niet rondhangen. Jongeren in nieuwbouwwijken kunnen geen kant op....

JAAP HUISMAN

De tegenwoordige jeugdtrainer van Feyenoord, John Metgod, groeide op in Amsterdam Nieuw-West, begin jaren zestig nog een modelnieuwbouwwijk. Metgod leerde er lopen. Hij rende al achter de bal aan toen hij een jaar oud was.

'Naast het kleine grasveld hadden we nog het grote grasveld, het pleintje en niet te vergeten: de garagedeuren. Wilde je echt schieten dan ging je naar de garagedeuren. Het maakte wel lawaai en het aantal deuken in de deur nam zienderogen toe, maar het was echt de enige plek waar je goed kon schieten. De muren waren niet geschikt. Vaak werden we weggejaagd: ''Donderstralen, kijk toch uit wat je doet''.'

Tussen de jongensjaren van Metgod en die van Richard, Remco, Dirk, Mohammed en Steven, de generatie die nu groot wordt, is niet veel veranderd. Jonge bewoners en gloednieuwe wijken vormen een slechte combinatie.

In Nieuw-Sloten, de jongste wijk van Amsterdam, goten bejaarden afgelopen winter emmers water voor de deur uit. Dat bevroor ogenblikkelijk. Ze konden nog maar moeilijk hun huis uit, maar dat namen ze voor lief. De ijsvloer verhinderde het samenklonteren van ballende en rokende jongeren met hun ergerniswekkende gettoblasters.

Een bewoonster uit Nieuw-Sloten omschreef haar afkeer in een filmreportage: 'Als ik zo'n groepje zwarten zie staan, ben ik bang. Ik kan ze niet verstaan en denk dat ze het op mij gemunt hebben.'

De overlast van hangende jongeren lijkt in de nieuwe wijken extra aan te tikken. Jan Bouwmeester, wijkagent in Almere-Buiten dat in een kleine tien jaar tijd uitgroeide van 0 naar 25 duizend inwoners, weet waarom: 'De mensen uit de oude wijken van Amsterdam zijn naar Almere getrokken in de verwachting dat alles hier in orde zou zijn. De nieuwkomers dachten dat ze verlost zouden zijn van de Marokkanen op de trap. Dan blijkt dat ze zich vergist hebben. Almere is een stad geworden als alle andere, met een multiculturele bevolking en voetballende jeugd.'

De grote bioscoop Cinemare in Almere-Stad staat er net, discotheken zijn er nauwelijks. Bovendien, zegt Bouwmeester, voldoet het traditionele jongerencentrum niet langer. 'De één wil hard-rock, de ander house, je hebt gabbers en punkers. Antillianen zoeken steeds meer elkaar op; het aantal groepen is net zo divers geworden als de grote maatschappij.' En dan te bedenken dat 56 procent van Almere-Buiten nog geen 24 jaar is.

In zijn kantoortje, vlakbij de gesloten discotheek Medusa, hangt een stadsplattegrond met een tros spelden in Almere-Buiten. Elke speld staat voor een misdrijf, een klacht, of een overtreding.

We trekken met zijn surveillancewagen door de wijk, over fietspad en busbaan, door het rosarium. De wijk baadt in het groen. Ruim opgezet, misschien wel te ruim. 'Je kunt geen controle uitoefenen op de achterkant van de scholen, waar de struiken omhoogschieten. De muren zijn binnen de kortste keren beklad.'

Voor de allerkleinsten in Almere zijn volop voorzieningen. Zandbakken, klimrekken en wipkippen te over; voor de 'tussengeneratie' ontbreekt het hoogstnoodzakelijke. 'De mensen die het kunnen betalen, zetten hun kinderen op een sportvereniging; voor de jongeren die uit de boot dreigen te vallen, is er niets. In heel Almere staan maar twee halfpipes voor skateboarders, waarvan een in Buiten. En die ziet dan ook elke dag zwart van de jeugd.' De oplossing ligt voor de hand, weet Bouwmeester zeker. 'Investeren in nog zo'n buis. Dat voorkomt narigheid.'

Op honderd meter van die buis staat middenin het Bouwmeesterpark een afgetakelde bushalte, die doet vermoeden dat hier een tippelzone voor heroïneprostituees is ingericht. Het hokje is een jop, de vinding van de wijkagent. Jop is de afkorting van een jongerenontmoetingsplaats.

De plaatsing van de jop heeft de klachten doen verminderen, voor Bouwmeester het bewijs dat het idee werkt. 'Ze komen uit andere groeikernen kijken of het ook iets is. Het is een mogelijkheid om de schade van vandalisme, die hier een miljoen gulden per jaar bedraagt, terug te brengen.'

Toch is de wijkagent niet tevreden. 'Het ziet er niet uit. Ik had met de gabbers afgesproken dat ze hun jop zouden onderhouden en kijk nou eens.' Rondom het hokje liggen bierblikjes en peuken; het glas is allang gesneuveld.

Twee voormalige bushokjes, een in het park, de andere op het Van Eesterenplein, zijn in de loop van de tijd verzamelplaatsen van scooterende, skatende, fietsende of gewoon rondhangende jongeren, zoals vroeger de nozems met hun Puchs op de straathoek de tijd doodden.

Is de onafzienbare ruimte het probleem van Almere-Buiten, in de Amsterdamse wijk Nieuw-Sloten is het juist de compactheid. Hier moet de eerste jop nog verrijzen. De wijk met twaalfduizend inwoners aan de rand van Amsterdam is onderscheiden met de Omgevingsarchitectuurprijs voor de inrichting van de openbare ruimte.

En inderdaad, niets is aan het toeval overgelaten. Perken, waterpartijen, de bestrating, elk detail staat in dienst van 'het totaalconcept'. Karakteristieke straten en singels met wisselende beplanting bepalen het beeld.

Lodewijk Baljon, landschapsarchitect en supervisor van de wijk, erkent dat er weinig mogelijkheden zijn voor de jeugd in de uitgekiende combinatie van hoog- en laagbouw en de ongelofelijke parkeerdruk in een wijk die met 53 woningen per hectare tot de dichtstbebouwde van Nederland behoort.

Door die dichtheid van wonen en auto's is de bewegingsvrijheid van de jeugd in het gedrang gekomen. 'Er zit een scherpe overgang van privé naar openbaar. Als je een achterommetje met een poort wil afsluiten, zoals bij een blok is gebeurd, moet je de kinderen met een sleutel de straat opsturen', zo schetst Baljon één van de fricties tussen veilig én vrij wonen.

De garagedeur waartegen Metgod indertijd kon voetballen, ontbreekt in Nieuw-Sloten. Nu staan er rijen auto's. Baljon: 'Bewoners zijn niet geneigd ver te lopen naar hun auto, plaatsen hem dus op stoepen die zijn bedoeld om te spelen. Wat we onderschat hebben is dat zich hier ook tweeverdieners met twee auto's hebben gevestigd. Het probleem van de wijk is dat de bewoners een laagbouwwijk met tuin hadden verwacht, net als in Almere, terwijl het in wezen een stadswijk is met weinig rek.'

Tot overmaat van ramp is een apart jeugdhonk al in een vroeg stadium uit de plannen geschrapt vanwege geldgebrek. En dat beetje speelruimte, zoals in het plaatselijke Kasterleepark, heeft moeite te overleven. Vroeger, mijmert Baljon, ging je voetballen en legde je twee jassen bij wijze van doel op de grond. 'Nu wil de jeugd doelen met een net eromheen, maar dan is de ruimte weer gemonopoliseerd. Dan kun je er weer niet picknicken of vliegeren.'

Hoe groot de druk op de vrije ruimte is bewijst het speelveld naast een basisschool: het gras is stukgelopen. Slechts kunstgras zou hier overleven. Baljon ziet alleen de rand van Nieuw-Sloten weggelegd als plaats voor avontuur en verkenning. Aan een vaart ligt een moeras in wording met het aanlokkelijke bordje: 'Levensgevaarlijk. Moeras.' Baljon: 'Dat is de plek waar je, zoals we vroeger zeiden, een zeikerd kunt halen, waar je je laarzen in de modder verliest. Zoiets moet er in zo'n wijk ook zijn.'

Het is een inkeurige, burgerlijke wijk, constateert Fred Martin, directeur van stichting de Driehoek die zich richt op het wonen in de westelijke tuinsteden van Amsterdam. De bewoners klagen er eerder, omdat ze zulke hoge verwachtingen koesteren. Hier zou hun droomhuis staan, compleet met de auto als pronkstuk. En dan bederven jongeren het plezier.

De Stevenshof in Leiden is vergelijkbaar met Nieuw-Sloten, alleen vijftien jaar ouder. In de vroege avond hangt een kluit jongeren op de halfpipe. Naast de pijp is sinds kort een jop gebouwd, uitvloeisel van een kleine competitie die door 'Michieleke, de Rolykid' (zo gedoopt omdat ie in een rolstoel rijdt) is gewonnen. Leiden heeft de jeugd zelf zijn 'vrijetijdsbeleving' laten kiezen.

De winnende jop lijkt op een gehalveerde iglo van gras in een heuvel. Een jongerengrot. 'Een ecologische iglo', zo betitelde de winnaar zijn inzending. Het meubilair bestaat uit bielsen banken en een al even onverwoestbare houten tafel, de achterwand is beschilderd met Den Haag Hakkuh.

Chantal, 16, getoupeerd kapsel, is matig tevreden. 'Het is een teringzooi. Waarom hebben ze er niet wat vuilnisbakken neergezet?' Richard, een magere gabber met twee oorringen: 'Stalen banken, dat was toch beter geweest. Dit geeft af. Dat schiet niet op.'

'In het buurtcentrum mochten we niet komen', moppert Dirk, 'ze waren bang dat we de biljarttafels zouden slopen. Tyfuszooi. Er wordt hier nooit wat gedaan. Een disco op vrijdag, dat is alles.'

Net als in Almere heeft de jop in Leiden de spanningen weggenomen, stelt Wim van den Eshof, coördinator integraal veiligheidsbeleid vast. 'Ze hangen nu niet meer met hun gettoblaster in het winkelcentrum, er sneuvelen geen ruiten meer.'

Maar voor de jongeren blijft De Stevenshof een waardeloze wijk. 'Zodra je aanstalten maakt te gaan voetballen, word je al weggestuurd. Dit is een nette mensenwijk met alleen zwangere vrouwen en als ze niet zwanger zijn, lopen ze achter een kinderwagen.'

Meer over