Verleid door gouden glans van boekenweek

Stapels en stapels boeken. Nieuw, herdrukt en opvallend vaak héél dik. De Boekenweek is weer - voor de zestigste keer - begonnen....

Wie verlokt door 'geschenken' als Serenade van Leon de Winter, Zwarte bevrijding van Jan Wolkers en de speciaal voor de Bijenkorf geschreven novelle Op zoek van Gerard Reve de komende dagen naar de boekwinkel gaat, zou bij de aanblik van zoveel, vaak nog onbesproken werk wel eens in besluiteloosheid kunnen vervallen.

Hoe te kiezen?

Zelf liet ik me deze week verleiden door de glans van het goud. Niet 'de gouden handel' die het verzamelde boekbedrijf voor ogen staat - als bij de aanschaf van tenminste ¿ 19,45 aan Nederlandse boeken alle vijfhonderdzesennegentigduizend Serenades van Leon de Winter gratis zullen zijn weggegeven, tel uit je winst - maar het edelmetaal in titels als De god met de gouden ballen en De gouden tak.

Het eerstgenoemde boek is van de hand van Marie Kessels. Zij schreef eerder Boa, waarvoor ze de Van der Hoogtprijs ontving, en Een sierlijke duik, waarvoor haar het Charlotte Köhlerstipendium werd toegekend. Met deze twee boeken maakte Kessels duidelijk dat er van haar nog veel te verwachten viel en dat klopt, nu ik De god met de gouden ballen heb gelezen.

In deze roman vertelt Kessels het verhaal van een jonge vrouw, Veer geheten, die werkzaam in zo'n stationshandeltje met snoep, drank en rookwaar, de wereld van mensen en dingen met een scherp oog voor details observeert, terwijl ze van tijd tot tijd verrast wordt door haar minnaar Gus - met zijn tegen de kanker vechtende lichaam. Of ze haalt hem voor de geest, als jongen, als scheepsbouwer, als oorlogsvlieger, als militair of als iemand die met geraffineerde middelen haar lusten opwekt. Maar vooral ziet ze zijn ouder wordende, aftakelende lijf voor zich.

Deze roman, zou je kunnen zeggen, is een verhaal over 'woekeringen', een ongebreidelde 'celdeling' van de dingen om Veer heen, van de lusten in haar - 'In het hart van de winter werd ik overvallen door zo'n hevige honger naar seks, dat al het andere me kinderachtig toescheen, betekenisloos' - en vooral een woekering van beelden, indrukken, herinneringen, in toom gehouden - net als tenslotte de kanker van Gus - door een nooit versagende wil om de zich aandienende chaos te beheersen, of misschien wel te bezweren (De Bezige Bij, ¿ 32,50).

The golden bow van Sir James George Frazer (1854-1941) was in de jaren zestig en zeventig een boek dat door iedereen die geïnteresseerd was in 'religie en magie' gelezen werd. Oorspronkelijk besloeg dit magnum opus van de Schotse classicus en antropoloog maar liefst twaalf delen. In 1922 bekortte hijzelf zijn werk tot de wat handzamer omvang van zo'n duizend pagina's, en die editie is nu door Aris J. van Braam in het Nederlands vertaald met als titel De gouden tak (Contact, ¿ 145,-).

Ik kan uiteraard niet peilen of er voor een dergelijke studie nog steeds zoveel belangstelling bestaat als toen mèt de ontdekking van De Derde Wereld de culturele antropologie in de mode kwam. Maar ik ben ervan overtuigd dat degenen die - met een wat literaire instelling - mythologie, religie, magie, totemisme en taboe beschouwen als de intrigerende grondstof van een rijke verscheidenheid aan (bizarre) verhalen, in deze bijna duizend bladzijden nog steeds heel veel van hun gading zullen vinden.

Wie deze week naar de winkel gaat om de novelle van Remco Campert Ohi, hoho, bang, bang, of Het lied van de vrijheid aan te schaffen, zal merken dat hij met de ¿ 17,50 die dit boekje kost, te weinig besteedt om het Boekenweekgeschenk van Leon de Winter te krijgen. Je kunt er dan nog wat bij kopen, maar je kunt ook Ohi, hoho, bang, bang als een alternatief Boekenweekgeschenk zien, want dat is het. Het geschenkachtige van dit ontspannen vertelde, geestige verhaal - waarvan de titel is ontleend aan Sept manifestes Dada van Tristan Tzara - zit 'm in de vrolijke onbekommerdheid waarmee je de belevenissen van de dichter Menno van der Staak tijdens het Rotterdamse festival The World of Poetry ondergaat.

Op de van hem bekende manier neemt Campert hier een loopje met het internationale dichtersvolk, dat hij zoveel jaren lang tijdens Poetry International in Rotterdam zag hunkeren naar roem, drank en seks, terwijl tussendoor ook nog het werk van volslagen onbekende poëten uit alle wereldstreken vertaald moest worden. Voor Menno van der Staak wordt deze aflevering van de World het toneel van een grote, welhaast surrealistische verwarring, waarin hij verliefd wordt, zijn vriendin verliest en ten slotte een katterige apotheose beleeft in de nabijheid van de raadselachtige schone Orpheline (De Bezige Bij, ¿ 17,50).

Op verzoek van Jan Kuijper, dichter en redacteur van Querido, heeft J. Bernlef - om nog even in de sfeer van de internationale poëzie te blijven - de vertalingen die hij in de loop van de jaren maakte van het werk van dichters als Erik Satie, Raymond Radiguet, W. H. Auden, e. e. cummings, Elizabeth Bishop, Weldon Kees, Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer in één boek bij elkaar gezet, de mooie gebonden uitgave Alfabet op de rug gezien (¿ 35,-).

Van de Vlaamse dichter Peter Ghyssaert kwam een nieuwe bundel uit, Sneeuwboekhouding. Over zijn debuut Honingtuin uit 1992 schreef Kees Fens: 'De bundel is er als geheel een van bijna verfijnd weergegeven verdorring en verval, verpulvering, ziekte en ouderdom, maar in elke laatste hoest klinkt de voorname stem van eens nog mee en in het dovende hoofd spoken nog de grote gedachten.'

Fens was niet de enige, die aandacht schonk aan deze Vlaamse nieuweling in de poëzie. Ook Herman de Coninck en Hans Warren deden dat en kennisname van de gedichten in Sneeuwboekhouding wettigt de verwachting dat de kritiek zich opnieuw (lovend) over het werk van Ghyssaert zal uitlaten (Bert Bakker, ¿ 19,90).

Een andere dichter, Jan Kal, demonstreert in Het schrijvershuis zijn beheersing van het sonnet, waarvan hij er vijftig in deze bundel heeft opgenomen. Een groot aantal is gewijd aan bewonderde vakgenoten (zoals Jean Pierre Rawie), maar Kal wil ook wel eens minder vriendelijk zijn, zeker als het gaat om 'experimenterende' of anderszins avantgardische dichters en schrijvers. In de afdeling 'Over het Fonds voor de Letteren' - dat hem geen bijdrage uit het potje met overheidsgeld gunde - haalt hij uit naar de 'kleine bonsjes' in de literatuur, die hun sleutelposities naar zijn inzicht misbruiken voor eigen gewin: 'Hoe kan zo'n eigendunkelijke kliek/ mij buitensluiten als non-existent?/ Ach, kleine bonsjes zijn heel tiranniek.'(De Arbeiderspers, ¿ 29,90)

Maarten Asscher, de baas van Meulenhoff, wijkt voor de verhalen die hij vertelt graag uit naar romantische oorden of even romantische gebieden van de geest (over Gustav Mahler bijvoorbeeld) en wat daarbij opvalt is dat ze een haast ouderwetse stilistische rust vertonen, die ze - bij alle detaillering die Asscher aanbrengt - zo aangenaam maakt om te lezen (Strindbergs dood, Prometheus, ¿ 24,90).

Bij zijn eigen uitgeverij deed hij van Wessel te Gussinklo een roman verschijnen, die door zijn omvang, betrekkelijke afwezigheid van 'gebeurtenissen' en een haast stilleggen van de handeling voor menige lezer 'niet om door te komen' zal zijn. Maar wie de tijd neemt, en rustig leest, zal ervaren dat Te Gussinklo, die in 1986 debuteerde met De verboden tuin (en daarvoor de Anton Wachterprijs kreeg), het innerlijk van een puber blootlegt, op een manier die blijft boeien (al zie je de invloed van Simon Vestdijk in iedere vezel van dit verhaal).

Maar liefst 551 bladzijden lang toont Te Gussinklo de lezer de veertien-jarige Ewout Meyster, die in de jaren vijftig een zomerkamp op de Veluwe meemaakt. Alles in dit boek wordt onderworpen aan de onzekerheid van de veertien-jarige, die maar één wens heeft: indruk maken op de andere jongens. Hij 'werkt' aan zichzelf omdat hij gelooft ooit belangrijk te worden, iemand als Churchill of Roosevelt, een persoonlijkheid. Maar hoe hij zich ook inspant, uitslooft zelfs, telkens weer schiet hij tekort, en keren de anderen zich hoogst bevreemd of spottend van hem af (Meulenhoff, ¿ 49,90).

Eveneens tamelijk omvangrijk is het debuut van Mariska Mourik, die in De ijszee op het verhaal vertelt van een vrouw, die tot haar leedwezen bemerkt dat haar twee opgroeiende kinderen zich van haar verwijderen (Contact, ¿ 39,90). En Allard Schröder blijkt ook al een hekel te hebben aan beknoptheid. Hij vertelt in 446 bladzijden het verhaal van Raaf, een jongen met vallende ziekte, die in de ban van een ijzersterke vaderfiguur een puinhoop maakt van zijn leven (en voor wreedheden ten opzichte van vrouwen niet terugdeinst). Schröder is, zo lees ik, vertaler en schrijver van verhalen en hoorspelen. Hij publiceerde eerder de romans De gave van Luxuria (1989) en De muziek van zwarte toetsen (1991) die ik niet ken, maar die het na het lezen van Raaf verdienen om alsnog ter hand te worden genomen (De Bezige Bij, ¿ 44,50).

Bij elkaar hebben we nu een bedrag dat wel twintig Boekenweekgeschenken rechtvaardigt, maar wat meer zegt, een duizelingwekkende hoeveelheid bladzijden. De tweeling van Tessa de Loo, ook een dik boek, hoef ik hier niet aan toe te voegen, want die roman verscheen al in 1993. Ik vermeld het boek omdat nu voor de tweede keer een gebonden uitgave is verschenen, de zeventiende druk - wat De tweeling op tweehonderdduizend exemplaren brengt, een ongelooflijke oplage voor een boek dat in de kritiek over het algemeen nauwelijks goed kon doen. Het is duidelijk dat het niet de critici zijn die, althans in dit geval, de goegemeente doen lezen.

Ik zou, na bericht te hebben dat Nicolaas Matsier met Gesloten huis 'overtuigend' als winnaar te voorschijn is gekomen uit de enquête die Mekka vorig jaar onder 81 Vlaamse en Nederlandse recensenten hield (Mekka is een uitgave van Nijgh & Van Ditmar en kost ¿ 29,90), nog voor vier boeken een lans willen breken: De geesten van de Andes van Mario Vargas Llosa (Meulenhoff, ¿ 39,90); De stoetmeester van de veelbelovend geachte Zuidafrikaanse schrijver Etienne van Heerden, wiens vorige roman, Casspirs en campari's, ik wat geforceerd satiriek vond (Meulenhoff, 49,90); Het uur van ongehoorzaamheid, verhalen van de Vlaming Joris Note (De Bezige Bij, ¿ 34,50) en Leden van de jury, pleidooien van Gorgias, Antifon, Lysias, Isaios, Isokrates, Demosthenes en Aischines, over de kunst van de welsprekendheid (Athenaeum-Polak & Van Gennep, ¿ 45,-, gebonden ¿ 65,-).

En wie, na het lezen van Gesloten huis, meent dat hij nog niet alles van Nicolaas Matsier gelezen heeft, kan terecht bij een Reuzenpaperback van de Bezige Bij, waarin Oud-Zuid, Onbepaald vertraagd, Een gebreid echtpaartje en andere verhalen verzameld zijn (¿ 39,90). Zie het maar als nòg een alternatief geschenk. Het is per slot van rekening maar één keer per jaar feest in de boekenbusiness.

Meer over