Verlaten voor een knorrige man

Doeschka Meijsing leek in haar boeken altijd afstandelijker en rationeler dan haar broer Geerten, maar in haar nieuwe roman schuwt ze het autobiografische aspect niet en lijkt ze een stuk losser....

Daniëlle Serdijn

Glad ijs: het werk van broer Geerten en zus Doeschka Meijsing (1947) met elkaar vergelijken. Maar bij het verschijnen van Doeschka’s nieuwe roman Over de liefde is de verleiding nauwelijks nog te onderdrukken. In vergelijking met haar broer leek ze altijd meer autobiografische afstand te bewaren, en sowieso afstandelijker, rationeler te zijn in het schrijven. Maar naarmate de twee ouder worden groeien ze in hun schrijverschap naar elkaar toe, en doen zich bijna per roman meer gelijkenissen voor. Misschien dat het tweetal daarom pas op gevorderde leeftijd kon samenwerken aan de dubbelkroniek Moord & Doodslag (2005). Het duo prikkelt de geest: is er een erfelijkheidsfactor in het spel? Krijgt het schrijverschap pas z’n definitieve vorm op latere leeftijd? Kun je niet ontkomen aan het soort schrijver dat je in wezen bent, zoals in het geval van de Meijsings nu duidelijk wordt: romantische zwervers, eeuwig teleurgesteld in de liefde, tobbend met de gezondheid, al dan niet vanwege verslavingen, en daarvoor verlichting zoekend in heftige medicatie?

Over de liefde is het verhaal van Philippa van de Steur, kortweg Pip. We treffen haar op het moment dat ze na een jarenlange relatie is verlaten door haar vriendin. In herinnering ziet ze vorige verhoudingen, die, na jaren van geluk, ook werden verbroken. Waar lag het toch aan? ‘Alles wat goed en mooi aan mijn leven was geweest was ik kwijt en ik begreep niet eens waarom het zo gekomen was. Had ik zo’n slechte inborst? Was ik zo’n einzelgänger?’ Wat de situatie nog lastiger maakt, is dat Pip is verlaten voor een man. Een man! Een grotere nederlaag is in de damesliefde niet denkbaar. Daar komt nog bij dat die man een knorrige gast is, een ‘vleesgeworden midlifecrisis’.

Onmiskenbaar komt hier de realiteit om de hoek. De roddels waren destijds niet van de lucht. Doeschka was verlaten door haar vriendin, en die vriendin, plots heteroseksueel geworden, was nog zwanger ook. Dergelijke pijnlijke en herkenbare uitvergrotingen kwamen vooral voor in het werk van broer Geerten. Het kwistig gebruik van gelukte, mislukte en geromantiseerde liefdes is inmiddels z’n handelsmerk. Doeschka daarentegen was, zeker wat de liefde betreft, de schrijver met de ingebouwde poëticale afstandsmeter. Het kan dus verkeren.

De twee zitten nu behoorlijk in elkaars spoor. Letterlijk zelfs wanneer Pip zich in de CX Prestige van haar jongste broer laat vervoeren naar Italië. Van Geerten Meijsing verschijnt er geen roman meer waarin hij op doorreis de liefde voor de CX níet bezingt. Een klik op de website van Citroënclub Nederland en jawel, daar verschijnt de zilvergrijze bolide van broer Geerten in het echt, gefotografeerd op het strand van Syracuse. Lijkt triviaal, maar is het niet: werkelijkheid en fictie zijn op deze manier inwisselbare grootheden geworden in het werk van de Meijsings. Daarnaast lopen hun fictionele werelden in elkaar over. Daardoor versterken ze elkaar, en wekken ze de suggestie ook buiten de literaire werkelijkheid te bestaan.

Maar Doeschka’s roman behelst meer dan alleen dit bijzondere bij-effect dat zij met haar broer teweeg weet te brengen. Over de liefde bevat boeiende passages waarin schaamte en liefde op verrassende wijze worden verbonden. Het opbreken van de verkering valt ongeveer samen met een waanzinnig ongeluk: Pip wordt aangereden door een cementwagen. Ze komt in het ziekenhuis terecht, maar moet steeds denken aan haar prilste verliefdheid, die op juf Buri Vermeer.

Wanneer Pip haar juf tijden later ontmoet, vertelt Buri over haar eigen eerste liefde. Het is een wonderlijk verhaal over een meisje in een jappenkamp, dat verliefd wordt op haar gijzelaar. Kalm verteld. Goed gedoseerd. Meijsing houdt de geschiedenis strak in de hand. Op zulke momenten zie je de weelde van ervaren schrijverschap, geen letter waar je oog aan blijft haken.

Lichtjaren verwijderd van Robinson (1976), laat Doeschka Meijsing de teugels vieren. Zo los, zo makkelijk. Toeval dat die losheid in haar schrijven samenvalt met het loslaten van de liefde?

Mooi is het wel, die slotscène waarin Pip, die op het punt staat een speech te houden voor haar jarige ex, in de gracht valt. De vele blonde vriendinnen – allen oogstrelend, sportief en succesvol – willen haar de kant op hijsen, maar Pip dobbert wat rond en zwemt daarna weg. Weg van die blonde roedel. En daar gaat ze, stijlvol én met zelfspot. Betere manier om de aftocht te blazen is er niet.Daniëlle Serdijn

Meer over