Verkoopbaar erfgoed

Abu Dhabi kan zich met zijn oliedollars alles veroorloven, ook filialen van het Guggenheim en het Louvre. Er wordt – duur – betaald voor exposities uit de moedermusea....

Paul Depondt

Nergens, luidt het in wervende slagzinnen op billboards en wapperende vaandels, zullen het geluk en de kennis zó voor het rapen liggen als op het Island of Happiness in Abu Dhabi – althans voor wie het kan betalen. De rijkste oliestaat van de Verenigde Arabische Emiraten werkt aan een nieuwe ‘mondiale en globale cultuurpolitiek’. In nog geen tien jaar tijd worden op het Saadiyat Island, ‘het eiland van het geluk’, vijf spectaculaire musea en negentien al even opmerkelijke biënnalepaviljoens gebouwd. Op het nog onbewoonde en 2700 hectare grote eiland, vijfhonderd meter voor de kust van Abu Dhabi, wordt gewerkt aan een luxueus vakantieoord onder het verleidelijke en allesoverheersende motto: ‘Saadiyat is happiness.’

‘Kunst is open staan voor de wereld’, zegt Zaki Nusseibeh, topadviseur van sjeik Khalifa bin Zayed Al Nahyan, zoon en ‘troonopvolger’ van de in 2004 overleden ‘stichter’ van Abu Dhabi. De oliestaat wil, naast musea, ook dependances van belangrijke westerse universiteiten, zoekt aansluiting met de meest gerenommeerde galeriehouders en curatoren, betaalt astronomische bedragen voor consult en cultureel management. Voor de invulling van het cultureel programma van het ‘Island of Happiness’ heeft de sjeik Charles Merewether aangetrokken, de internationaal bekende kunsthistoricus, curator en voormalig artistiek directeur van de Sydney Biennial 2006. Abu Dhabi wil, in het post-9/11-tijdperk, een verlicht ‘mini-Zwitserland van het Midden-Oosten’ worden, schreef The New York Times.

De plannen van de oliesjeiks hebben een ‘Big Bang’ in de museumwereld veroorzaakt, een heftige polemiek tussen cultuurpessimisten en culturele globalisten, tussen conservatieve museumdirecteuren en modieuze curatoren. De geschiedenis van die Big Bang is een onverkwikkelijk en weinig verheffend verhaal van erg ambitieuze museumdirecteuren.

In het oogverblindende Emirates Palace Hotel, waar de limousines voor de pompeuze ingang aanschuiven op een marmeren wegdek, krijg ik onder de gouden koepels van het immense paleis de museummaquettes te zien. In de ene vitrine staat de opzichtige en grillige constructie van Frank Gehry’s nieuwe Guggenheim, in een andere de maquette van het door Jean Nouvel ontworpen nieuwe Louvre, een cluster van museumzalen en alkoven onder een gigantische ronde luifel. Op weer andere sokkels staan de ontwerpen voor een maritiem museum van Tadao Ando en van het ruim zestig meter hoge kunstencentrum van Zaha Hadid. Het Nationaal Museum Sheikh Zayed, volgens het masterplan ‘een monument voor bespiegeling en kennisoverdracht’ en de trots van de heersende familie Al Nahyan, is door het bureau van Sir Norman Foster ontworpen. En dat is lang niet alles. Negentien jonge architecten, uit de Verenigde Staten, Rusland, Korea, China en de Verenigde Arabische Emiraten, bouwen op het eiland negentien locaties voor de nieuwe kunstbiënnale van Abu Dhabi.

Die culturele boom in de Arabische metropolis wordt door veel critici met argusogen bekeken, vooral ook omdat Abu Dhabi zich door zijn olievoorraad en gasreserves letterlijk alles kan veroorloven. In de filialen van het Guggenheim en het Louvre zullen duur ingekochte exposities worden georganiseerd met kunstwerken uit de Parijse en New Yorkse collecties. Volgens sommigen zullen straks dé topstukken uit de verzamelingen voor langere tijd naar het ‘lunapark’ van Abu Dhabi verhuizen. ‘Louter voor het entertainment’, zeggen de tegenstanders. ‘Om bruggen te slaan tussen alle culturen’, luidt het bij de Tourism Development & Investment Company (TDIC) die de tentoonstelling met de opzienbarende plannen in het exuberante Emirates Palace Hotel organiseerde. ‘Wanneer de musea rond 2013 hun deuren openen’, zegt manager Mubarak Al-Muhairi van de TDIC, ‘verwachten we jaarlijks een half miljoen bezoekers; vijf jaar later, wanneer het hele eiland operationeel is, doorkruisen vermoedelijk elk jaar meer dan anderhalf miljoen buitenlanders Saadiyat Island.’

Nergens wordt ijveriger gewerkt aan een nieuwe globale museumpolitiek. Het lijkt steeds meer op ‘kunstmakelaardij’. Op het allerhoogste niveau werd over het project voor het filiaal van het Louvre onderhandeld. In januari van dit jaar verbleef de Franse president Sarkozy in de villa van de emir van Abu Dhabi – ‘een heel gulle vriend’. Frankrijk mag een permanente militaire basis bouwen in de Verenigde Arabische Emiraten en de regering heeft ook een contract getekend voor een civiel-nucleaire samenwerking en de levering van een kernreactor.

In de museumwereld is een ‘kwalijke doos van Pandora’ geopend: na het Louvre zullen ook andere musea hun erfgoed te gelde maken door het uit te lenen. Nog nooit hebben politici en museumdirecteuren, luidt het bij veel conservatoren, de museale collecties op zo’n flagrante manier te grabbel gegooid. Die politiek heeft grote gevolgen voor de culturele wereld. Musea kunnen geen topstukken meer verwerven, simpelweg omdat het gevraagde geld alleen nog door rijke particulieren kan worden betaald. Door commercialisering worden ook bruiklenen onbetaalbaar.

De bouwput in Abu Dhabi veroorzaakt letterlijk aardverschuivingen in het museale collectiebeleid. Topstukken uit de verzameling van het Louvre worden, zonder veel overleg met de conservatoren, uitgeleend tegen fors veel geld. Het museum, menen critici, ‘heeft zijn ziel verkocht’, door principieel langdurige bruiklenen toe te staan aan het het ‘nieuwe’ Louvre.

Het akkoord over de overheveling van onderdelen van de collectie is begin dit jaar door Christine Albanel, de Franse minister van Cultuur, in Abu Dhabi ondertekend. Het eerste geld is ook binnen, honderdvijftig miljoen euro van het totaal afgesproken bedrag van ruim een miljard.

De gevolgen zijn nu al zichtbaar. In het najaar worden voor vier miljoen euro 130 topwerken uit de collectie van het Louvre uitgeleend aan de Italiaanse evenementenorganisatie Linea d’Ombra voor een lucratief expositieproject in het Palazzo della Gran Guardia in Verona. Het gaat om werken van Botticelli, Rembrandt, Velázquez en Greco, ook kunstwerken – zoals La Belle Ferronnière van Da Vinci – die nog nooit uit de Grande Galerie voor een bruikleen zijn weggehaald. Andere prestigieuze musea hebben identieke plannen. Het Musée Rodin verhuist stukken naar het Braziliaanse Salvador de Bahia; het Musée Picasso gaat twee jaar dicht voor renovatie en wil de verzameling ‘tegen een aardig bedrag’ uitlenen.

Er is in Parijs veel ongenoegen, vooral over de machiavellistische cultuurpolitiek van opeenvolgende ministers en museumdirecteuren. Een meerderheid van 39 conservatoren van het Louvre heeft een ‘interne petitie’ ondertekend waarin ze zich verzetten tegen de museumpolitiek van zowel cultuurminister Albanel als van museumdirecteur Henri Loyrette. Op zijn site La Tribune de l’Art lanceerde kunstcriticus Didier Rykner een ‘publiekelijke petitie’ tegen de plannen van het Louvre in Abu Dhabi en intussen heeft ook het in kunstkringen gerenommeerde Burlington Magazine zich uitgesproken tegen ‘de nieuwe museumpolitiek van collectiemakelaars en speculanten’.

In zijn schotschrift Malaise dans les musées uit expositiemaker Jean Clair felle kritiek op de ‘museumspeculanten’. Musea, zegt hij, worden bedreigd door de expansiepolitiek van het Guggenheim en het Louvre. Als curator of directeur heeft hij bij het Louvre, het New Yorkse Metropolitan, het Centre Pompidou, de Venetiaanse Biënnale en tal van andere organisaties en musea gewerkt, maar langzamerhand is hij heel somber geworden. Dat merk je ook in zijn ‘dagboeken’, alleen de titels al: Journal atrabilaire (‘Zwartgallig dagboek’, 2006) en Lait noir de l’aube: journal (‘Zwarte ochtendmelk’, 2007). Hij is, vermoedelijk door de lange tijd die hij in Wenen doorbracht, nog zwartgalliger geworden. Hij houdt van stoffige musea en verwerpt het museale spektakel. Volgens Clair is het kunstwerk op den duur louter nog een rekwisiet. Bij veel expositiemakers gaat het meer om ‘de kunst van het tentoonstellen’ dan om ‘het tentoonstellen van kunst’.

Anderzijds is kunst in handen van museumdirecteuren niet altijd meer in veilige handen. Debatten over afstoten van collectievreemde stukken, verkoop van kunstwerken uit de museumverzameling of zelfs te gelde maken van de museumschatten door ze voor een aardig bedrag uit te lenen voor een expositie of een langdurige bruikleen, worden nauwelijks nog in de volle schijnwerpers gevoerd. Het ‘marchanderen’ is blijkbaar zonder slag of stoot museumbeleid geworden, speculatie is in de museumwereld schering en inslag.

Clair toont aan hoe in musea het kunstwerk gaandeweg niet meer gekoesterd wordt, maar integendeel vooral ‘pasmunt’ is voor bruiklenen. Het is ook verkoopbaar erfgoed, voor verbouwingen zoals bij het Guggenheim, en erger nog: je kunt kunstwerken ook voor veel geld uitlenen aan pretparken in Las Vegas of Abu Dhabi.

Al in Paradoxe sur le conservateur (1988) maakte hij zich zorgen over de museale ‘congestie’. Er worden steeds meer musea gebouwd, waarbij het bouwwerk op zichzelf al oogt als een onderdeel van de collectie, en de oude en klassieke musea worden gerenoveerd en krijgen ook steeds meer expositieruimte. Tegelijkertijd groeit het leger kunsttycoons en die brengen hun eigen collecties onder in particuliere stichtingen.

Het is sinds 1988 verergerd. Alleen al in en nabij Parijs openen steeds meer zulke privé-initiatieven: in de voetsporen van de Fondation Cartier, L’Espace Ricard en La Maison Rouge, nu ook Le Moulin in Boissy-le-Châtel, Le Laboratoire in de Parijse rue du Bouloi, La Réserve in Pacy-sur-Eure, La Pinacothèque op de Place de la Madeleine, en – pas in 2010 – het door Frank Gehry ontworpen museum van de Fondation Louis-Vuitton in het Bois de Boulogne. Steeds meer bepalen collectioneurs wat wel of niet ‘en vogue’ is, wat van waarde is of topkunst. De museumdirecteuren en conservatoren zijn als het ware ‘onttroond’; gelegenheidscuratoren, galeriehouders én speculanten maken nu vaak de dienst uit. De commercialisering van de musea kon niet uitblijven. De naam van een museum – of het nu een initiatief of legaat is van een tycoon of een overheidsinstelling – is voortaan een label, het is een merknaam.

Vooral de onlangs teruggetreden directeur Thomas Krens van het Guggenheim Museum moet het ontgelden, zeg maar: zijn système-Guggenheim. Krens is een vurig verdediger van ‘de marktwaarde van een collectie’. Hij gelooft in het label ‘Guggenheim’ en in de commerciële waarde van de Guggenheim Foundation. Krens verkocht voor veel geld onderdelen van de collectie, hij maakte plannen voor dependances van het museum in alle continenten. Niet alles is gelukt; sommige plannen – in Brazilië, Singapore, Hong Kong, Salzburg, Venetië – gingen niet door; Berlijn is eigenlijk ronduit een mislukking. Bilbao lukt wel, maar niet omwille van de collectie maar omwille van het gebouw. Krens blijft in dienst als ‘supervisor’ van het grote museumproject in Abu Dhabi.

Musea, zegt Jean Clair, zijn er niet meer voor ‘enlightenment’ of ‘Bildung’, maar voor ‘entertainment’. Daartoe dienen ook de opzichtige desert follies in Abu Dhabi. Nu willen steeds meer musea, het Guggenheim, het Ludwig Museum, het Louvre en het Centre Pompidou ‘sleutel-op-de-deur-exposities’ maken. Je koopt ze, je toont ze en iedereen verdient er aan. Vijftien, misschien twintig jaar geleden had kunstenaar Donald Judd het al over het ‘warenhuisprincipe’ in musea en kunsthallen, over de horror vacui bij tentoonstellingsmakers – de angst voor het weinige of voor een kleinere presentatie – en over de duivelse ‘kunstbigotterie’. Hij vond toen al dat veel expositiecuratoren flessentrekkers en gentlemen-oplichters waren geworden.

Frankrijk voert al langer een soort ‘verkooppolitiek’ van het culturele erfgoed. Vorige maand nog publiceerde Didier Rykner een onthutsend verslag over de machinaties in de coulissen van de Franse musea en het Franse ministerie van Cultuur. In Le spleen d’Apollon – Musées, fric et mondialisation legt Rykner gedetailleerd uit hoe er ‘gemarchandeerd’ wordt. Nog voor het supercontract, dat de oliestaat met het Franse cultuurdepartement en het Louvre heeft gesloten over de tijdelijke overheveling van delen van de collectie naar Abu Dhabi, had het Louvre al kunstwerken tegen hoge geldbedragen aan het High Museum of Art in Atlanta uitgeleend.

Dat er geld gevraagd wordt, is naar museale gedragscodes ongebruikelijk en is ook een heel gevaarlijk precedent. Bruiklenen worden door de commercialisering duurder, zegt Philippe de Montebello, de net als Krens teruggetreden directeur van het Metropolitan Museum in New York. Hij verschilt met Krens omzeggens in alles van mening. De Montebello, van Franse afkomst, gelooft nog in ‘de échte waarden van het museum’: je moet het kunstwerk uit de ‘cashflow’ en de markt halen om het in een museale omgeving te beschermen. Door de grenzeloze financiële mogelijkheden van kunsttycoons en de nieuwe cultuurpolitiek van de Emiraten wordt dit steeds moeilijker.

Meer over