Vergeten pionier

Alleen zijn blunders en kapitale inschattingsfouten worden nog herinnerd. De persoon en de betekenis van Willem Nicolas Rose, bouwmeester van Rotterdam en van het rijk, was in de geschiedenis verloren gegaan....

door Hilde de Haan

In 1860, twee jaar nadat de toen beroemde Rotterdamse architect Willem Nicolas Rose (1801-1877) tot het achtenswaardige ambt van landsbouwmeester was verheven, beging hij een fatale fout. Hij kreeg de roemvolle opdracht het regeringscentrum in Den Haag te vernieuwen. Naast grote nieuwbouwprojecten, onder meer voor het Departement van Koloniën en de Hoge Raad, stond ook renovatie van het Binnenhof op het programma. Dit laatste gebouw verkeerde in zo'n treurige staat dat Rose besloot de kap van de Grote Zaal (de huidige Ridderzaal) volledig te vervangen door een ultramoderne constructie van ranke gietijzeren kolommen en veel glas.

Dit ontwerp leverde nog voor het werd uitgevoerd een storm van kritiek op. Nationale grootheden als P. J. H. Cuypers, architect van het Rijksmuseum, en Victor Le Stuers, feitelijk oprichter van Monumentenzorg, sabelden het plan neer. Roses positie werd er niet beter op toen bleek dat de afgebroken kap, die hij als zeventiende-eeuws had gedateerd, vermoedelijk was gemaakt omstreeks 1250. De controverse bleef duren tot Roses schepping twaalf jaar na diens dood alsnog werd afgebroken en vervangen door een replica van de oude kap.

Het is een geschiedenis die tot in recente publicaties over Rose doorwerkt. Vaak bezorgt het hem de kwalificatie sloddervos, wat bevestigd lijkt door het feit dat hij in Rotterdam een vergelijkbaar ernstige beoordelingsfout maakte, met als gevolg een ingestorte kademuur. Soms echter wordt hij er juist om geroemd en voorloper genoemd van het moderne bouwen. En ook hiervoor zijn dan meerdere argumenten aan te voeren, zoals het uiterlijk van zijn Departement van Koloniën, dat bij oplevering werd verguisd, maar waarvan men tegenwoordig de strakke, sobere vormen veelal toejuicht.

Architectuurhistorica Hetty E.M. Berens (1958) schetst in haar lijvige biografie van Rose een genuanceerder beeld. Het is niet het eerste boek waarin dat gebeurt, en met name in 'Waarheid en karakter, het debat over de bouwkunst 1840-1900' dat hoogleraar architectuurgeschiedenis Auke van der Woud in 1997 publiceerde, wordt Roses veelzijdige en belangrijke positie in allerlei kringen al toegelicht. Maar terwijl Van der Woud zijn aandacht vooral op de vakdiscussies richtte en publicaties als voornaamste studiemateriaal hanteerde, heeft Berens zich in de eerste plaats in de man verdiept.

Tientallen brieven, platen en memoires werpen een ander licht op de kwesties van het Binnenhof en de kademuur; en op het Departement van Koloniën dat slechts aan geldgebrek zijn sobere uiterlijk dankt (Roses oorspronkelijke ontwerp was rijk versierd). Belangrijker is dat deze gebeurtenissen worden teruggebracht tot hun juiste proporties: als incidenten in een rijk en productief bestaan.

Het was een prachtige tijd, die negentiende eeuw, waarin het ambacht van een architect nog avontuurlijk was en het vak van stedenbouwkundige nog moest worden uitgevonden. Rose beoefende beide professies met hart en ziel. Zijn beste tijd beleefde hij in Rotterdam, waar hij vanaf 1839 ingenieur Gemeentewerken was en de ontwikkeling van Rotterdam als snel groeide havenstad op alle fronten begeleidde. Rioleringsstelsels, inpolderingen, nieuwe havens, nieuwe woonwijken: met alles moest Rose zich bezighouden.

Daarnaast ontwierp hij zo'n 150 gebouwen, waaronder een feestzaal waarvan pianist Franz Liszt de onovertrefbare akoestiek heeft geroemd, en een concertzaal in de Doelen. Het leverde alleen tijdelijk roem op. Slechts een handvol van zijn bouwwerken (zoals een school in Rotterdam en het militair tehuis Bronbeek bij Arnhem) staat nu nog overeind.

In Berens' fraai uitgevoerde biografie komt zijn werk weer enigszins tot leven, met ontroerende foto's, sierlijke tekeningen en vaardige prenten. Daarnaast spettert zijn inventiviteit uit de plannen, of het nu om bruggen, polders havens of, gewoon, gebouwen gaat. Het Coolsingelziekenhuis (1839/1850; grotendeels verwoest in 1940) spande de kroon. Het was ooit het modernste ziekenhuis van Europa met allerlei nieuwigheden dankzij de stoommachine: verwarming, ventilatie, stromend water, zelfs liften. Toch kreeg ook de architectuur veel aandacht. Diepgaand boog Rose zich over de vraag hoe gebouwen met dergelijke nieuwe bestemmingen een passend uiterlijk konden krijgen.

Terugval op de dode regels van het classicisme vond hij ongepast. Met het Coolsingelziekenhuis introduceerde hij, min of meer in navolging van de Duitse architect K. F. Schinkel, de Rondboogstijl in Nederland. Een feit dat, net als Rose zelf, inmiddels bijna was vergeten.

Meer over