Veredelen of verelenden

Van Sylvia Plath is 50 jaar na haar dood nog iets moois uitgegeven. Zo gaat dat niet altijd met nagelaten werk, stelt Arjan Peters vast.

De dood van een schrijver hoeft niet het einde van zijn schrijverschap te betekenen. Soms komt er nog iets bij. Het nagelaten werk kan zelfs in omvang en betekenis de kern van het oeuvre zijn, zoals in het geval van Emily Dickinson, Franz Kafka of Fernando Pessoa. Die hadden allen bij leven nauwelijks iets van hun buitengewone talent laten zien. Dat zijn de uitzonderingen. Vaker gaat het om een extraatje, een tastbare herinnering die de troostrijke wetenschap beklemtoont dat het woord ook na het leven stand kan houden.


Vorig jaar kwam er iets moois uit de nalatenschap van Sylvia Plath (1932-1963), de Amerikaanse dichteres en schrijfster van wie het meeste werk na haar zelfmoord werd gepubliceerd. We dachten dat we inmiddels alles hadden: gedichten, proza, kinderverhalen, dagboeken en brieven. Maar dochter Frieda Hughes, die 2 jaar was toen haar moeder in Londen uit het leven stapte, voegde een kleinood aan het werk toe: een boekje met zwart-wittekeningen. Op brieven en kaarten maakte Sylvia fraaie schetsjes, en die worden in Drawings (Faber and Faber; euro 24,95) getoond. Een wijnfles, een elegante paraplu, een rijtje huizen, schoenen, een kastanje en een straattafereel met een typische 'tabac' in Parijs. Ga nu niet denken dat er ook nog een groot beeldend kunstenaar aan Plath verloren is gegaan, maar de fijne tekeningetjes doen denken aan wat haar ex-echtgenoot Ted Hughes zich herinnerde in zijn bundel Birthday Letters (1998): 'Van tekenen werd je rustig.'


Een voetnoot, prudent gepresenteerd. Zo gaat dat niet altijd. Laatst verscheen Ik ben ik niet van J.J. Voskuil (1926-2008), een bundeltje pontificale boekbesprekingen uit de jaren vijftig, met soms een aardige zin ('De zuiverste toestand is het zwijgen'), maar die nog niet verraden dat deze auteur zich zal ontpoppen als de kurkdroge minimalist van Bij nader inzien en Het Bureau. De vroege recensies van Han Voskuil zouden een aardig extraatje zijn, als de bezorgers Detlev van Heest en weduwe Lousje Voskuil daar niet anders over hadden gedacht. In een inleiding die is opgezwollen tot de helft van het boek notuleert de schrijvende parkeercontroleur Van Heest de gesprekken die hij met Lousje over Han voerde. Plus wat ze daarbij aten en dronken, want de inleider is een bewonderaar maar ook een huisvriend en doet ons daar ongevraagd kond van. De weduwe wordt geen moment in bescherming genomen, maar mag vrijuit vertellen over Hans gewoonten en gedachten, zijn 'mislukte leven' (ze zouden onmaatschappelijk blijven, en dat is Han niet gelukt), de euthanasie waar hij uiteindelijk voor koos terwijl hij daar altijd principieel tegen was (zijn finale mislukking), en hoe verschrikkelijk het voor haar is door het succes van Hans boeken rijk te zijn: 'Ik had arm willen blijven. Dat is mislukt. Nee, geef me maar geen wijn meer.'


Al zou 'Han' dit allemaal best hebben gevonden, de manier waarop de samenstellers met de vergeten stukjes uit Voskuils verre verleden omspringen, bewijst dat er behalve bescheiden ook brutale voetnoten bestaan. De laatste dienen de dode niet.

Meer over