Verder heen dan ooit

VAN KOOTEN en De Bie, Jan Blokker, Marijke Höweler en een heleboel allang weer vergeten Amerikaanse west coast-schrijvers deden het in de jaren zeventig en tachtig....

Dan krijg je dit. Een in een wijde kaftan gehulde therapeute die haar 'cliënt' vragen stelt als: 'Hoe kijk je aan tegen het idee dat de dingen soms een momentum van zichzelf zijn geworden?' En de cliënt, zo gek als een ui, die gehoorzaam antwoordt in het jargon: 'Dat je in je momentum zit als het ware. Ja, nee, zeker, ik ga mee met dat woord. Momentum en al die verhalen over de familie, zeker, ja, nee, zeker, dat grijpt in elkaar.'

Dan is er natuurlijk de 'werkbijeenkomst' van de therapeuten, de een nog geschifter dan de ander. Kaftan-Jeannette die zelf worstelt met onverwerkte jeugdtrauma's. New Age-Maria die bevriend is met de Wicca-hogepriesteres Elfriede, die met haar Amrito - een tuinkabouter die de hele dag ritueel aan zijn slurfje staat te trekken - in de bush woont, waar ze voorwerpen verbrandt om de duivel uit te drijven. Slome Walter, die een bijeenkomst bijwoonde van 'sjamaan' Freek de Jonge, waar deze 'met zijn geestrijke humor hele horden had doen uittreden'. Afzijdige Sjoerd die eigenlijk dichter is en uit de verslagen van collega's woorden oppikt waar hij zijn zesderangs poëzie uit brouwt. Collega's die vanuit Bali, waar ze op studiereis zijn, verbluffende boodschappen doorseinen van hindoeïstische reïncarnatie-priesters.

En midden op de vergadertafel ligt Het geestige lichaam van de gesmade plagiator René Diekstra, wiens populistische lulkoek er bij de therapeuten inglijdt als Gods woord in een ouderling.

Tot zover de parodistische kant van De therapie. Leuk wordt het nergens, hoewel het ongetwijfeld leuk is bedoeld. Een statement over onze 'door en door gepsychologiseerde samenleving' is het zeker. Jawel, Jeannette springt, gek gemaakt door de verhalen van haar cliënt Carl, van het balkon van haar flat, na een geestelijk duwtje van háár demonische therapeut. De twee officiële gestoorden in het boek, Carl en Eveline, beiden lijdend aan het meervoudige-persoonlijkheidssyndroom, beginnen een verwoestende relatie met elkaar. Aan het eind van de roman is iedereen verder heen dan ooit. Er is geen redding mogelijk in de therapeutenwereld. Taal is een giftig medicijn; ze analyseren elkaar kapot. Maar daar lig je na lezing van De therapie geen seconde wakker van.

Het boek vertelt ook nog een ander, interessanter verhaal. Voor zover daar, in de mist van psycho babble, uit wijs te worden is. Het is het verhaal van Carl. Deze mislukte intellectueel die na stront op zijn werk in therapie zit, is niet één mens, hij is een hele familie: vader, moeder, dochter en vier zonen. Nu eens is Carl de ene 'alter', dan weer de ander. Een van die mensen heeft iets verschrikkelijks op zijn geweten, iets dat eindigde met een dood meisje in een auto. Zijn broer heeft een meisje verkracht in een zomerhuis. Weer een andere broer was betrokken bij een torpedo-oorlog op het eiland Munda.

Zijn zuster werd, door de wrede moeder, mee naar een dokter genomen die een deel van haar hersenen eruit sneed. Het zijn huiveringwekkende, idiote verhalen waaruit de lezer de echte Carl mag smeden. De therapeutische huls die in het dagelijks leven Carl heet, loopt ook rond in het boek. Hij woont op een vervuilde etage waar hij wordt bestookt door de 'gedachtenstromen' die zijn boekenwanden uitstralen. Allemaal machinaties van de macht, volgens Carl, van complotten en netwerken, van 'diepe politiek'.

De totale desintegratie in Carls hoofd is bijzonder knap beschreven door Niemöller. Hij is in dat hoofd gaan zitten en beschrijft op een beklemmende manier hoe het is om de speelbal te zijn van zelf gesponnen verhalen, gekmakende theorieën en niet te stuiten influisteringen. Als Carl staat te zweten van angst wanneer de bibliothecaris op de universiteitsbibliotheek zijn pasje door de computer haalt - nu zal het uitkomen, hij is het niet! - zweet je met hem mee. De zwaarste gek in dit boek is het meest aannemelijke personage.

Op een verdraaglijke manier komisch, en zo nu en dan echt tragisch, is de romance tussen Carl en de al even 'meervoudige' Eveline, incestslachtoffer, die Carl in haar alter ego van de Slet vermorzelt.

'Carl snikt en staart naar het plafond. Het is vernederend omdat het zo'n heerlijk gevoel is. Om in een auto te rijden, toegejuicht door het volk dat rijendik staat opgesteld, terwijl de vrouw met het suikerspinkapsel zich diep over de schoot gebogen aan haar echtelijke taak wijdt. (. . .) Eveline zegt: 'Niet huilen, bruidegom.'

Als Niemöller zich had beperkt tot dit ingewikkelde gegeven, was De therapie een mooie, angstaanjagende roman geworden. Een verhaal dat geen statements over de 'ziekmakende psychiatrie' nodig zou hebben, omdat het de lezer zelf een tijdje gek laat zijn. En al helemaal geen obligate lolligheden over de geschifte therapeutentaal, over 'de hele Gestalt zien' en 'op definitieve doorbraak staan'. Die ontwrichtende roman heeft Niemöller niet willen schrijven. Gevolg is dat De therapie een liefdeloos boek is geworden, dat maar niet kan kiezen tussen parodie en inleving. Als Jeannette van het balkon springt, staat het er zo: 'Er is te veel bewolking voor een sterrenhemel en niet ver uit de buurt staat een lantaarnpaal die haar val volledig uitlicht. Daarop breekt ze haar nek en haar rug op vele plaatsen en krijgt ze het verschrikkelijk benauwd zodat ze een piepje slaakt voor ze sterft. Ze beleeft dit echt van binnenuit.'

Dit laatste, lullige zinnetje vermoordt de hele scène en dat is zonder twijfel de bedoeling. Maar is het leuk? Werpt het enig nieuw licht op de dingen? Waarom die hele armzalige, fletse Jeannette eigenlijk opgevoerd en naar beneden gedonderd? Niemöller laat de lezer achter met een hinderlijk 'wat wil de schrijver hiermee zeggen'-geknaag. Natuurlijk hoeven romans geen fonkelnieuwe visies op het mensdom te etaleren. Liever niet zelfs. Maar als de vraag ernaar zich zo dwingend aandient, is er iets goed mis.

Aleid Truijens

Joost Niemöller: De therapie.

Querido; 221 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 214 76991.

Meer over