Verborgen slaven bestaan nog altijd

Het is goed dat Nederland zijn slavernijverleden gedenkt met een monument. Toch worden er in de wereld nog altijd mensen verhandeld, voor de prijs van twee geiten....

GISTEREN is in Amsterdam een nationaal monument ter herdenking van ons beschamende slavernijverleden onthuld. Wie echter denkt dat deze barbaarse praktijk anderhalve eeuw geleden werd afgeschaft, heeft het mis. Zij bestaat nog steeds en wel op grote schaal.

Volgens de mensenrechtenorganisatie 'Anti-Slavery International' is het aantal slachtoffers mondiaal gestegen tot maar liefst 27 miljoen.

De voedingsbodem voor de tegenwoordige lijfeigenschap ligt in armoede en oorlog. Honger en gebrek maken ouders soms zo wanhopig dat ze zelfs hun nageslacht verkopen om te kunnen overleven.

Ook is het ontvoeren en naar willekeur gebruiken van mensen een veel gebruikte krijgsmethode. Strijders maken hun slachtoffers tot persoonlijk bezit of gebruiken hun menselijke vangsten als handelswaar.

De slaven worden niet zoals vroeger op openbare markten, maar in de verborgenheid verhandeld. In Oost-Afrika doen kinderen zo'n 10 tot 20 dollar en volwassenen gaan van de hand voor niet meer dan 33 dollar: de prijs van twee geiten. Het verschijnsel doet zich voor in veel Afrikaanse landen, maar ook bijvoorbeeld de islamitische Golfstaten, de Kaukasus-regio en Zuid-Oost Azië maken zich er schuldig aan.

De hedendaagse slavernijpraktijken nemen vormen aan van dwangarbeid, kinderarbeid, lijfeigenschap en gedwongen prostitutie. Slachtoffers zijn vooral vrouwen en kinderen. Zij leven onder erbarmelijke omstandigheden, verrichten zwaar lichamelijk werk gedurende 14 tot 18 uur per dag, krijgen niet of nauwelijks betaald, ondergaan veel lijfstraffen en worden op grote schaal seksueel misbruikt. Mislukte ontsnappingen worden bekocht met marteling of dood.

Een schokkend voorbeeld van hedendaags slavernij levert Sudan. Dit land wordt sinds 1983 geteisterd door een burgeroorlog tussen het arme Arabisch-Islamitische noorden en het welvarende zuiden, rijk aan olie en bewoond door zwarte Christenen en animisten.

De noordelijke regeringstroepen slagen er maar niet in het zuiden onder politiek-economische controle te krijgen en met geweld te islamiseren. Vorige maand heeft een, door president Bush ingestelde, Amerikaans-Europese onderzoekscommissie een onthullend rapport uitgebracht over de situatie in Sudan. De commissie beschuldigt de regering in Karthoum ervan het zuiden te islamiseren en de slavenpraktijken te bevorderen.

In een recent onderhoud werd dit door de Sudanese parlementsvoorzitter tegenover mij ontkend: het zou gaan om oude tribale gewoonten waar de regering geen greep op heeft. De talloze getuigenverklaringen van vrijgekochte lijfeigenen weerspreken echter de officiële lezing. In plaats van soldij krijgen de milities van het regime toestemming om dorpen plat te branden, de mannen te vermoorden en vrouwen tot slaaf te maken.

Uit indringende vraaggesprekken met vrijgekochte vrouwen blijkt dat besnijdenis en verkrachting, ook van hun jonge dochters, eerder regel is dan uitzondering, dat zij vaak gedwongen worden zich tot de islam te bekeren en dat ze executies van ongehoorzame medeslavinnen moeten bijwonen.

Nieuw ontdekte oliebronnen in het zuiden verschaffen Karthoum de mogelijkheid om buitenlands kapitaal aan te trekken en daarmee de eigen oorlogsinspanning op te voeren. Lokale bevolkingsgroepen worden verjaagd uit de oliegebieden, vermoord of tot slaaf gemaakt. Buitenlandse oliemaatschappijen krijgen hierdoor vrij spel en zijn dus medeplichtig aan de gruwelpraktijken.

Hoe moet aan deze ellende een eind worden gemaakt? De in Zwitserland gevestigde organisatie 'Christian Solidarity International' beijvert zich om op grote schaal slaven in Sudan vrij te kopen. In Amerika zijn, net als twee eeuwen geleden, antislavernij comités opgericht, die onder meer op scholen geld inzamelen om deze humanitaire aankopen mogelijk te maken.

Unicef is fel gekant tegen het betalen voor vrijheid omdat daardoor het verhandelen van slaven juist aantrekkelijk blijft. Ook al worden individuen uit hun lijden verlost, de onderliggende problemen van oorlog om olie, armoede en religieuze bekeringsdrang worden er niet door opgelost.

Veel Afrikaanse staten zijn met de Europese Unie verbonden door een onlangs in Cotonou vernieuwd handels-, hulp-, en politiek samenwerkingsverdrag. Hierin verplichten de partners zich tot goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten. Slavenhandel is uiteraard een grove schending van dit akkoord. Economische boycots of opschorting van hulp als sanctie hebben doorgaans het nadeel dat daarmee de bevolking extra hard wordt getroffen. Met een land als Sudan is de ontwikkelingsrelatie bovendien al opgezegd.

Wel zou de EU bij de slavenlanden de duimschroeven moeten aandraaien en dreigen met bijvoorbeeld 'slimme sancties' (banktegoeden blokkeren, reisverbod etc), waarbij wel het regime getroffen wordt maar niet de bevolking. Veel ontwikkelingslanden hebben helaas alleen oog voor het slavenleed dat hun voorouders in de koloniale tijd is aangedaan. In plaats van verlate herstelbetalingen te eisen zouden ze zelf ook eens in de spiegel van het heden moeten kijken.

De recente G-8 top heeft een verklaring uitgegeven over Afrika zonder met een woord te reppen over slavernij: de zoveelste gemiste kans. Moet dit gruwelijke lot eerst westerlingen treffen voordat de wereldgemeenschap optreedt? Deze misdaden tegen de menselijkheid mogen niet ongestraft blijven. Hier ligt een belangrijke taak voor het zojuist in werking getreden Internationale Strafhof in Den Haag.

Wie een einde maakt aan de beschamende praktijken van vandaag verdient morgen ook een historisch monument.

Meer over