Verborgen linie wordt eindelijk zichtbaar

'Een schone slaapster die nog wakker gekust moet worden.' Zo omschrijft landschapsarchitect Eric Luiten de Nieuwe Hollandse Waterlinie, waarvoor hij onlangs op Fort Rijnauwen bij Bunnik een ontwikkelingplan van vijf ministeries presenteerde....

Van onze verslaggever Arnold Koper

Zijn Panorama Krayenhoff, vernoemd naar de gelijknamige ingenieur en minister van Oorlog (1808-1811), die in de Franse tijd en de decennia erna de verdedigingslinie op poten zette, kan de charme van de eenvoud niet worden ontzegd. Bijna twee eeuwen lang lag de ruim 85 kilometer lange verdedigingslinie tussen Muiden en de Biesbosch in het landschap verborgen.

Nu moet ze zichtbaar worden gemaakt door het toeristische en recreatieve potentieel ervan uit te buiten. En wat, volgens Luiten, het belangrijkste is: 'De Hollandse Waterlinie moet ook weer een regisserende functie in het landschap krijgen.'

Gebieden aan de oostkant van de oude 'hoofdweerstandsstrook' blijven groen en open. Aan de westkant van de linie moet juist 'landschapsverdichting' mogelijk zijn. Dat is planologisch Bargoens voor stedenbouw in de Bloemendalerpolder tussen Weesp en Muiden en voor nieuwe landgoederen, buitenplaatsen en andere exclusieve villawijken in het Vechtplassengebied.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie heeft altijd al een sterke ordenende functie in het landschap gehad. De forten, kazematten en batterijen waren vanwege hun militaire betekenis voor het publiek ontoegankelijk en zo onzichtbaar mogelijk.

Het schootsveld dat ze bestreken werd vrijgehouden van bebouwing, opdat naderende vijandige legers er geen beschutting konden vinden. En in de laag gelegen polders en moerasgebieden die bij een aanval onder water zouden worden gezet, heerste natuurlijk ook een beperkend militair regime.

Van die inundatie is het nooit gekomen. Het had ook weinig zin gehad. De Duitse parachutisten en bommenwerpers vlogen in de meidagen van 1940 immers gewoon over de waterlinie heen. Toen in de jaren vijftig de nationale verdediging, destijds tegen het rode gevaar, naar de Duitse laagvlakten werd verlegd, verloor de waterlinie definitief zijn militaire betekenis.

In het schootsveld van de oude verdedigingswerken werden na de afschaffing van de militaire kringenwet (1951) nieuwe wijken als Lunetten (genoemd naar de gelijknamige fortificaties) en het universitaire centrum de Uithof in Utrecht gebouwd. Ook het naoorlogse Houten en delen van Gorkum liggen binnen de militaire kern van de voormalige verdedigingslinie.

Maar het Vechtplassen- en rivierengebied bleven grotendeels onaangetast. En dat moet vooral zo blijven, zo zeggen Luiten en de vijf ministeries die de waterlinie willen voordragen voor de Werelderfgoedlijst van de Unesco.

Behalve voor bebouwing, recreatie en natuurontwikkeling zal er langs de linie ook ruimte worden gemaakt voor nieuwe waterbergingsgebieden. De inundatievelden van het verdedigingsstelsel liggen nu eenmaal in lager gelegen delen van midden-Nederland en zijn destijds eigenlijk al ontworpen voor wateropvang.

Voor het Vechtplassengebied betekent dit behalve de mogelijke inundatie van twee polders, vooral een gestage vernatting door peilfluctuatie. In het winterseizoen gaat het grondwater dan fors omhoog en in de zomer geleidelijk weer omlaag. Ook in het rivierengebied worden gebieden voor tijdelijke of blijvende vernatting aangewezen.

Panorama Krayenhoff is een ontwikkelingsstrategie voor twintig jaar. De provincies en gemeenten moeten zich er nog over uitspreken. Dan wordt het vastgelegd in streek- en bestemmingsplannen en kan het echte werk beginnen. Daarbij gaat het onder meer om de aanleg van fiets- en wandelroutes, het opknappen van oude forten en waterstaatkundige werken, en de inrichting van nieuwe ecologische zones en recreatiegebieden. Coördinerend bewindsvrouw Geke Faber van Natuurbeheer, heeft daarvoor bij het ministerie van Financiën een claim van 100 miljoen euro op tafel gelegd.

Dat is bij benadering niet voldoende om de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot leven te kussen. Zelfs niet als de bijdragen van andere ministeries, provincies en de gemeenten erbij worden opgeteld.

Daarom zal het bedrijfsleven in publiek-private samenwerkingsprojecten ook een forse bijdrage moeten leveren. Zo zouden recreatieondernemers die straks een fort langs de waterlinie (als museum, concertzaal of eetgelegenheid) gaan exploiteren, in ruil daarvoor een bijdrage kunnen leveren aan het herstel van een nabijgelegen historisch gemaal.

Of zouden de projectontwikkelaars die in de Bloemendalerpolder mogen bouwen, een deel van hun winsten kunnen investeren in waterrijke groenzones rond zo'n nieuwe stad.

Meer over