VERBOND VAN VREEMDEN

In het Gemeentemuseum Den Haag zijn ze verzameld, de stierenvechter van Rineke Dijkstra, de Congolese krijger van Cas Oorthuys en het onbekende Belgische oorlogsslachtoffertje....

Door Arno Haijtema

Het is een schemerbeeld, de foto waarop een man aan tafel in slaap is gevallen, zijn hoofd naast het bord waarvan hij heeft gegeten. Hij heeft de armen kruislings over elkaar, het hoofd rust op een onderarm, zijn springerige kuif raakt net niet het bord met de etensresten. In de kamer is het vrijwel donker, op het schijnsel van een paar kaarsen na. Het is een loom beeld in zwart-wit - alsof de fotograaf toen hij afdrukte zelf op het punt stond weg te dommelen. Wat hij zag vlak voordat de luiken van zijn ogen dichtvielen, dat wist hij op film vast te leggen. Het diafragma fungeerde als een zwaar ooglid.

Het grofkorrelige beeld, Koos 2001 van Mark van den Brink, is een wonder van eenvoud én complexiteit. Het is een aangename compositie, met de curve van het bord in één hoek en de ronding van de schouder in de diagonaal tegenovergestelde hoek. Het hoofd van de slapende Koos vormt niet alleen een toonbeeld van ultieme ontspanning, het straalt ook devotie uit. Met eerbied buigt het voor de zegeningen van de maaltijd en zo betuigt Koos een ode aan ófwel de kok ófwel de Schepper, aan wie hij hiervoor dank is verschuldigd.

De foto roept associaties op met de dagelijkse beslommeringen na de maaltijd, een tijdstip van loomheid waarop niettemin nog allerhande karweitjes zijn te doen, voordat het einde van de dag daadwerkelijk inzet. Koos 2001 is een van de topstukken op de grote expositie Portretten uit de collectie van Willem van Zoetendaal, waar met 150 foto's in kleur en zwart-wit evenzoveel visies op de mens worden getoond. Afgeschermd van het voor foto's funeste daglicht, in een paar zalen op kelderniveau, presenteert Van Zoetendaal - galeriehouder, fotoverzamelaar, uitgever, hoofddocent aan de Rietveld Academie in Amsterdam en vaste curator van de Haagse fotokabinetten - zijn hedendaagse Family of Man.

Van Zoetendaal putte uit zijn eigen collectie, waarin zowel amateurwerk, toegepaste fotografie als kunstfotografie is samengebracht. Werk van ex-Rietvelders als Mark van den Brink, Rineke Dijkstra en Koos Breukel en van internationale kunstenaars deelt de muren van de fotokabinetten met politiefoto's en anonieme negentiende-eeuwse portretten. Wat vrijwel alle foto's gemeen hebben, is dat zij eenlingen laten zien. De Family of Man anno 2002 is een verzameling individuen. Op de museumwanden gaan ze met hun blikken, gebaren en houdingen talrijke onhoorbare maar wel zichtbare dialogen met elkaar aan. Maar nergens presenteren ze zich als een hechte groep in één beeld.

Van Zoetendaal heeft de ruimtes gelijkelijk verdeeld over de seksen; de ene helft bestaat uit mannen-, de andere uit vrouwenportretten. Het is een doeltreffende waterscheiding; voor de duur van de tentoonstelling wordt een wapenstilstand uitgeroepen in de eeuwige strijd tussen de seksen. Die kan worden opgevat als een handreiking aan de bezoeker: kijk in vredesnaam naar ándere dingen.

Het is hier vergeefs zoeken naar de clichés van mannelijk en vrouwelijk machtsvertoon - naar de uiterlijke perfectie, zoals die bijvoorbeeld in de reclame gangbaar is, in de vorm van gespierde torso's, ideale borstcurves en schier onbeperkt houdbare jeugdigheid. De individuen in het Haags museum worden getoond zoals zij zijn en zoals mensen zijn: in meer of mindere mate beschadigd en getekend door het leven.

Cas Oorthuys maakte in 1958 een portret van een Congolese man. Een krijger zo te zien, met een bloem in zijn haar, een somber-dromerige blik en een - is het bloed, modder? - besmeurd gelaat. Wat de man is overkomen, weten we niet, maar de foto, het openingsbeeld van de expositie, ademt een sfeer van verlies en het onderspit delven. De erop volgende beelden versterken die tristesse.

Van Katrin Hofmann is de onscherpe, diffuse video-still van een puberjongen met een onbestemde, in geen geval vrolijke gezichtsuitdrukking, puistjes en een merkteken, een soort bloeduitstorting, in de hals. De Gezagvoerder (2000) van Marijn de Jong is een verzorgde man met gesteven overhemd, keurige stropdas, smetteloos colbert, een fors litteken op een wang en een blik in de ogen die verraadt dat hem iets ingrijpends, mogelijk traumatisch is overkomen. Ook dat beeld vormt in verhalende zin het topje van een ijsberg, en roept bange vragen op: als de gezagvoerder van een vliegtuig zo is toegetakeld, hoe is het dan zijn passagiers vergaan?

De onbestemdheid van de toeschouwer neemt toe bij Rineke Dijkstra's polaroid portret van een stierenvechter in Ville France de Xira, Portugal (1993). Dijkstra nam de foto kort na het gevecht van de jongeman. Zijn kleding is besmeurd met bloed, zijn gezicht vertoont een mengeling van opluchting over de afloop van en uitputting door het gevecht met het dier. Zijn onregelmatige gebit, er mist een zijtand, en zijn verontschuldigende gezichtsuitdrukking nemen je onweerstaanbaar voor hem in.

Het zijn allemaal beelden die knagen aan de zekerheden van alledag. Wie de foto's in zich opneemt, voelt sympathie voor de veronderstelde dierenbeul, twijfelt met hernieuwde kracht aan de onkwetsbaarheid van een piloot in vertrouwenwekkend uniform en ziet het clichébeeld van de stoere krijger uit donker Afrika in scherven vallen.

De beelden brengen bij de toeschouwer een zekere weerloosheid teweeg, die hem in staat stelt een grote lotsverbondenheid te voelen met de zwijgende personen aan de muur die niet anders kunnen dan zich laten bekijken. Onbeschermd, zoals de jongen die in een klassieke pose, maar wel met zijn achterhoofd naar de lens gericht, is geportretteerd door de Finse Marjaana Kella. Of de kalende schedel van een man, waarvan de topografie van bovenaf is vastgelegd door Paul Kooiker.

Wat zou er zijn geworden van het jongetje dat in 1944 door de Belgische politie werd gefotografeerd en dat blijkens de bijbehorende papieren leed aan geheugenverlies? Hij was wel zeker een van de talrijke ontheemde slachtoffertjes van oorlog, aan wie niet zo veel meer is te zien dan een bozige blik die verlatenheid verraadt.

Zoals die politiefoto op de tentoonstelling het verleden naar het heden brengt, zo komt ook de vroeg-twintigste-eeuwse schoonheid bijna weer tot leven die de Groningse portretfotograaf annex fietsenmaker Jacob Molenhuis in zijn stu diootje in het dorp Kloosterburen vereeuwigde. Een droomachtige verschijning is ze met haar witte nachthemd tot op haar enkels en haar donkere, eindeloos krullende haren, stralend als een schepping van Boticelli.

Er is nog zo'n beeld van onvergankelijke schoonheid, het portret dat Koos Breukel in 1994 maakte van een 'unexpected visitor' in zijn Amsterdamse fotostudio. Groot, krachtig, donker glanzend is het gezicht van de zwarte vrouw, die een geprononceerde kaak heeft, volle lippen, heldere ogen, korte haren. Een subtiel gebeeldhouwde karakterkop, die zó veel kracht uitstraalt dat de weerloze toeschouwer met graagte zijn toevlucht bij haar zoekt.

Breukel toont met dit werk de magische kracht van fotografie op het snijvlak van fictie en werkelijkheid. Het portret mag een uitwerking hebben van Riefenstahl-achtige kracht, daarmee is nog niets onthuld over het karakter van de vrouw. Zoals Van den Brinks beeld van de slapende man Koos aan de oevers van zijn etensbord niets vertelt over diens werkelijke gesteldheid.

De samensteller van de expositie geeft de toeschouwer hints over de geportretteerde mensen en hun persoonlijke geschiedenissen. Maar hij houdt feiten achter en laat de volgorde van de beelden aan de wand haar suggestieve werk doen. En zo gaat de toeschouwer zich vroeger of later realiseren dat de personen aan de wand goeddeels vreemden blijven, maar dat de manier waarop hij naar hen kijkt zijn eigen karakter ontsluiert. Zo geeft Willem van Zoetendaal het begrip 'onthullende fotografie' nieuwe inhoud.

Meer over