Verantwoording, voorlichters en journalisten

Terwijl ik tijdens een bezoek aan een conferentie van Franse ombudslieden tot mijn stomme verbazing te horen kreeg dat er in Frankrijk geen Raad voor de Journalistiek is en ook geen persraad of andersoortige instantie die zich bezighoudt met journalistiek gedrag, – maar dat er wel 84 organisaties zijn die...

‘DEN HAAG (ANP) - Het leger aan communicatiemedewerkers bij overheid, instellingen en bedrijven is de afgelopen jaren flink gegroeid. Inmiddels lopen er in ons land drie keer zoveel geschoolde beroepscommunicatoren rond als journalisten. Dat valt dinsdag te lezen in het rapport van de commissie-Brinkman. In een analyse stelt de commissie dat het leger van communicatiemedewerkers het nieuws alsmaar beter heeft leren bespelen. Er is een wedloop om kijkers en lezers ontstaan, die de journalistiek een steeds hijgeriger karakter heeft gegeven. (...) Frank van Vree, hoogleraar journalistiek van de Universiteit van Amsterdam, die hiernaar met collega Mirjam Prenger onderzoek deed, zegt dat de verhouding drie staat tot één, een conservatieve schatting is. Volgens hem gaat het dan alleen om externe pr-medewerkers en niet eens om de eigen voorlichters.

Van Vree zegt dat de pr-sector zijn werk steeds beter doet en dat de journalistiek hier redelijk onschuldig tegenover staat. ‘Want de krant moet toch gevuld worden.’ We doen het volgens hem in Nederland overigens beter dan in de omringende landen.’

Tot zo ver het bericht. De laatste opmerking klinkt geruststellend maar de rest van het artikel maakt niet vrolijk. Zo vraag ik me serieus af wat het woord ‘onschuldig’ in deze voor betekenis heeft. Nemen de journalisten de communicatiemedewerkers voor lief? Ik mag hopen van niet, een gezonde dosis afstandelijkheid en achterdocht kan geen kwaad.

Vrijwel dagelijks zie ik op mijn bureau zaken langskomen die het gevolg zijn van het werk van dit leger aan pr-functionarissen.

Soms is de kritiek op de geleverde journalistieke prestatie helaas terecht, maar het gebeurt ook dat ik het idee krijg dat een woordvoerder klaagt, of aan berichten wil blijven sleutelen, omdat hij nu eenmaal een baan heeft waarin dat van hem wordt gevraagd. Zo creëer je je eigen onmisbaarheid.

Dat maakt het voor de journalistiek niet gemakkelijker, want de journalist is doorgaans de vragende partij. Hij heeft de voorlichter nodig om aan zijn informatie te komen omdat veel organisaties de regel hebben dat het personeel niet met de media mag praten.

Dat een woordvoerder vooraf inzage vraagt en krijgt om feitelijke onjuistheden te kunnen corrigeren, behoort inmiddels tot een niet meer uit te roeien, maar in mijn ogen onnodige, praktijk, maar ik merk dat het daarbij allang niet meer blijft. Niet alleen feitelijke onjuistheden worden gemeld, ook wordt onderhandeld over de teneur van artikelen en over de woordkeuze.

Dat gaat mij een brug te ver. Het artikel is van de journalist. Als hij feitelijke onjuistheden in zijn stuk had, moet dat worden rechtgezet. Wie niet tevreden is kan altijd klagen bij de ombudsman van de redactie en of naar de Raad voor de Journalistiek gaan.

Dat laatste brengt me terug naar Frankrijk waar onder druk van de president in mediakringen een debat woedt over zelfregulering van de media en over de vraag of het land een persraad of Raad voor de Journalistiek moet instellen. Daarover buigt zich nu een commissie van wijzen, van wie ik er deze week een sprak. Het zijn tot nu toe vooral de journalisten die zich verzetten tegen de komst van een raad. Zij zijn van mening dat het beter is als alle media ombudslieden aanstellen: dat verkleint de kloof tussen media en publiek.

Dat is ongetwijfeld waar, maar volgens mij kun je het ene doen en het andere niet laten. Dat geldt temeer omdat de positie van ombudslieden bij Franse media nogal afwijkt van die van de ombudsman van de Volkskrant. Ze zijn doorgaans niet onafhankelijk, hebben geen statuut waarin hun positie is geregeld en ze hebben lang niet allemaal toegang tot het medium waarvoor ze werken.

Of, zoals de net benoemde ombudsman van een commercieel televisiestation me zei: ‘ik mag alles doen, maar het mag het imago van de zender niet schaden.’

Meer over