Veranderend sentiment rond wederopbouwarchitectuur

Symbolen van de wederopbouw worden in rap tempo van de kaart geveegd. Hun imago: smakeloos en monotoon. Steeds luider klinken echter de stemmen die de sloopkogel tegen willen houden. ‿Misschien helpt het als je ziet dat de straten uit je jeugd verdwijnen.

Gaat de eerbied voor aan gruzelementen geslagen gebouwen uit de tijd van de wederopbouw zover dat zelfs het gehate Maupoleum, dat immense betonnen gevaarte aan de Jodenbreestraat in Amsterdam, postuum ook maar heilig moet worden verklaard? Je kunt er op z'n minst genuanceerd over zijn, meent Marieke Kuipers, bijzonder hoogleraar Cultureel Erfgoed aan de Universiteit Maastricht. Niet zo heel lang na de sloop, roemde een architect al de 'doorgaande horizontalen' van wat officieel het Burgemeester Tellegenhuis heette. Zeker, de schepping van architect Piet Zanstra in 1969 opgetrokken, in 1994 tegen de vlakte' was volgens Kuipers 'weinig fijnzinnig in het stedelijk weefsel'. Maar wat er voor in de plaats is gekomen 'de Hogeschool voor de Kunsten van Teun Koolhaas is ‿toch ook een joekel’. ‿Je kunt je afvragen wat je ermee bent opgeschoten.'

Er staan vandaag meer Maupolea te wankelen op de fundering. Het niet veraf gelegen Wibauthuis moet er deze maand aan geloven. Het lot van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor in de wijk Bos en Lommer is nog onzeker 'al is het stadsdeel nu voor behoud. Het uiterlijk en het karakter van de Lijnbaan in Rotterdam wordt ingrijpend gewijzigd. Het Centraal Station gaat er zeker plat. In naoorlogse wijken in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam zwaait de sloperskogel dat het een lieve lust is.

Dat symbolen van de wederopbouw in een rap tempo van de kaart worden geveegd, leidt, afgezien van enkele protesten van bewoners of gebruikers die moeten verkassen, allerminst tot een volksopstand. Ze hebben de beeldvorming tegen: het is smakeloze, monotone goedkope bouw; een vloek voor het aanzien van de stad. Wie valt er in vredesnaam voor 'doorgaande horizontalen?'

Die types zijn er wel degelijk, en hun stem klinkt steeds luider. De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) verzamelt in een speciale databank gegevens over gebouwen uit de periode 1945-1965. Het Cuypersgenootschap, een gezelschap van architecten en historici dat zich inzet voor het behoud van bouwkundig erfgoed uit de 19de en 20ste eeuw, richt zich steeds meer op de periode van de wederopbouw. De eerste tentoonstellingen, 'Lelijk is geen argument' en symposia zijn al gehouden. Het bureau Monumenten en Archeologie in Amsterdam kwam zelfs met een mea culpa in een pleidooi voor het behoud van het GAK in Bos en Lommer: ' Het bureau had tot een paar jaar geleden nauwelijks kennis en affiniteit met de jongere bouwkunst'.

Is er al sprake van een kaalslag? 'Het gaat wel hard', stelt Kuipers vast. ‿Nederland gaat buitengewoon slordig om met het gebouwde geheugen. Er is geen land dat verhoudingsgewijs meer bouwafval produceert dan Nederland.' Ze stelde in 2002 het overzicht Toonbeelden van de wederopbouw samen, en een fiks percentage ervan staat al niet meer overeind of wordt met sloop bedreigd.

Het zijn kwetsbare symbolen. Kuipers spreekt van 'verweesde gebouwen'. 'Ze beginnen te verouderen, maar ze zijn nog te jong om er cultuurhistorisch belang aan toe te kennen. Hier moet een monument minimaal vijftig jaar oud zijn voor een status voor bescherming door het Rijk. En intussen worden panden steeds sneller afgeschreven, zodat er geen tijd is voor eventuele herwaardering.'

In het spel van projectontwikkelaars, corporaties en stadsbestuurders ' veelal jobhoppers die zich nauwelijks bekommeren om cultuurhistorische waarden', verzucht Kuipers, maken ze weinig kans. De bedrijfsgebouwen uit die periode sneuvelen onder de bemoeienissen van de arbo-dienst, de druk van energiebesparing en daarvoor beschikbare subsidies, de aangescherpte eisen van milieuwetgeving en brandpreventie, en zeker zo belangrijk, de mode van ondernemingen met een buitenissig pand het imago te kleuren. Kuipers weet er nog wel een: 'Op de architectenopleidingen is vrijwel uitsluitend aandacht voor nieuwbouw.'

De Amsterdamse architectuurhistoricus Vincent van Rossem begrijpt het gebrek aan waardering wel. 'De meesten bewaren geen goede herinneringen aan het leven in de portiek- en de galerijflat. Het is kale architectuur. Voor het eerst in geschiedenis ontbraken leuke details. Het was zuinige bouw. Dat kun je zien.' Dat er ook zo veel is 'driekwart van de woningvoorraad is opgetrokken na 1945' maakt het moeilijker de buitenstaander ervan te overtuigen dat hier iets bijzonders staat.

Geen misverstand: Van Rossem, werkzaam bij het Bureau Monumenten en Archeologie, werpt zich juist op als hoeder van de wederopbouw. Het Wibauthuis bezit volgens hem veel allure, de tuinsteden in Amsterdam-west en een wijk als Pendrecht in Rotterdam vindt hij met de aandacht voor lucht, licht en ruimte geslaagde wijken. Kritiek op de verzelfstandigde woningcorporaties, die volgens hem louter uit winstbejag grote hoeveelheden sociale woningen slopen en daarmee de onderklasse wegjagen 'kwam hem onlangs nog op een schorsing te staan. 'Nee, het woord woningfascisme zal ik niet meer gebruiken. Maar ik stel vast dat veel is gesneuveld, woningen die bouwtechnisch tot het beste gedeelte van de voorraad konden worden gerekend.' Ook Kuipers beticht sommige corporaties van 'eenzijdig marktdenken'. Dat nieuwbouw voordeliger is dan renovatie, trekt ze in twijfel. ‿Er komen steeds meer technieken, bijvoorbeeld om beton te repareren of contactgeluid te onderbreken 'het belangrijkste euvel uit die tijd.'

De opsomming van de pleitbezorgers van de wederopbouwarchitectuur suggereert dat de herwaardering tot dusver vooral voor rekening komt van gebouwenfetisjisten. Van Rossem spreekt het niet tegen. 'Het begint vaak met een of andere idioot die er nu eenmaal toevallig voor doorgeleerd heeft.' Of de massa volgt, valt nog te bezien. 'Het zal niet zo snel gaan. Maar misschien helpt het als je ziet dat de straten uit je jeugd verdwijnen.' Kuipers ziet een perspectief van breder verzet. 'De ene generatie vindt vaak niet mooi wat de vorige heeft nagelaten. Maar kijk je naar de erfenis van je grootvader, dan tellen ineens je roots.'

Is dan werkelijk zo veel de moeite waard? In het verzet duikt altijd wel weer een argument op om de sloop te ontraden. Dan weer is het gebouw tekenend voor het oeuvre van de onderhavige architect, in een ander geval is het de opvallende uitzondering. Van Rossem: 'Daar zijn we goed in, he?'. Mijn opvatting is eigenlijk: nooit slopen. Je krijgt er altijd spijt van. Er gaat onmiskenbaar iets van de geschiedenis verloren, en tegelijkertijd wordt het milieu onevenredig zwaar belast. Altijd maar dat paradigma van nieuwbouw. Als niemand zijn vinger had opgestoken was in de jaren zeventig de Jordaan volledig verloren gegaan, met als argument om de verkrotting of de verpaupering tegen te gaan. Het had een haar gescheeld of de 19de-eeuwse gordel was verdwenen. Maar delen van Kattenburg, Uilenburg hebben het niet gered. Ga daar maar eens kijken. Is die stadsvernieuwing nu de oplossing tegen verloedering geweest?'

Kuipers, die ook betrokken is bij het wederopbouwproject van de RACM, formuleert enkele criteria. Louter mooi of lelijk is niet aan de orde. Naast enige esthetiek moet sprake zijn van architectuur- en cultuurhistorische waarden en zeldzaamheid. Een mal voor alle gevallen bestaat niet. ‿Monumentenzorg is nu eenmaal maatwerk.'

Ze durven wel voorspellingen aan over nieuwe weesjes waarover de kenners zich gaan ontfermen. Van Rossem was enige tijd geleden in Alkmaar-noord, in een zogeheten bloemkoolwijk, waar slingerende straten woonerven aaneenrijgen. 'Het is niet hip om er te wonen. Maar het is ook nog niet zo heel lang hip om in de binnenstad te wonen. Er bestaat een Duitse publicatie over de Nederlandse woningbouw in de jaren zeventig en tachtig. Tóll was het. Een geniaal woonconcept.' Kuipers: 'Over enkele decennia is de Vinexwijk beschermd stadsgezicht.'

Meer over