Velen rolden min of meer toevallig in het verzet

De meeste mensen kwamen in de oorlog in de illegaliteit terecht doordat ze er min of meer in rolden, schrijft C....

TIJDENS DE BEZETTING waren er Nederlanders die overdag op het vliegveld voor de Duitsers werkten en 's nachts op het afwerpterrein met een wapendropping in de weer waren. Het is een van de voorbeelden van de coëxistentie tussen collaboratie en verzet uit het boek van de historicus C. Hilbrink: 'In het belang van het Nederlandse volk. . .' - Over de medewerking van de ambtelijke wereld aan de Duitse bezettingspolitiek 1940-1945.

Sinds L. de Jong tijdens een historisch congres in 1956 een onderscheid maakte tussen vrijwillige en onvrijwillige collaboratie, hebben historici de discussie over collaboratie en verzet verrijkt met begrippen als 'aanpassing', 'attentisme' en 'accommodatie'. In hun studies over de Nederlandse samenleving in bezettingstijd werkten twee buitenlanders, Werner Warmbrunn en Gerhard Hirschfeld, deze nuanceringen verder uit. Hilbrink gaat nu na hoe er in de verschillende sectoren van de samenleving op de maatregelen van de bezetter werd gereageerd, en verlevendigt daarmee dit tot nu toe vaak wat steriele theoretische debat.

Hij begint met de vraag hoe en in welke omstandigheden mensen in de 'voorste linie' - ambtenaren van gemeentesecretarieën, arbeidsbureaus en distributiekantoren, politiemannen, treinmachinisten en illegale werkers - hebben gereageerd op de vervolgingen waaraan zij door de uitoefening van hun beroep hebben meegewerkt. Door middel van interviews met de betrokkenen en met gebruikmaking van vaak nog onbekend archiefmateriaal is hij erin geslaagd de geschiedenis 'van onderen' te schrijven.

Vanuit een zelfde soort benadering beschreef de Zwitserse historicus Philippe Burrin, die onlangs het gebied waar de individuele verhalen de collectieve ervaring kruisen in een geslaagde studie: La France à l'heure allemande 1940-1944 (Seuil, 1995). Hij laat zien dat zeker de eerste oorlogsjaren veel Fransen een 'opportunistische accommodatie' voorstonden, en noemt als voorbeeld de historicus Lucien Febvre die zijn joodse collega Marc Bloch dwong zich terug te trekken uit de redactie van het blad Annales om het voortbestaan van het tijdschrift in de bezette zone te verzekeren.

Al laat Hilbrink de intellectuele elites buiten beschouwing, hij geeft vele sprekende voorbeelden van deze opportunistische accommodatie onder de verschillende bevolkingsgroepen. Ook hun rechtvaardigingen en hun gewetensproblemen achteraf krijgen ruimschoots aandacht. Uitvoerig staat hij stil bij de houding van het NS-personeel en van de NS-directie, die met de spoorwegstaking van 1944 gretig de kans greep zich te rehabiliteren - Hilbrink spreekt toepasselijk van een door de NS-leiding in de bezettingsjaren bereden 'dubbelspoor' - voor deportatie van honderdduizenden joden en dwangarbeiders naar het oosten. Al voor de bevrijding voelde de leiding de bui hangen. Zij stelde alles in het werk om de zuivering in eigen hand te houden en een eigen heldhaftig oorlogsverleden te construeren.

Ook maakt Hilbrink duidelijk waarom mensen op een gegeven moment in het verzet terechtkwamen: 'Illegaliteit ontstond daar waar zij als noodzakelijk werd gevoeld, door concrete individuen in concrete situaties', schrijft hij. Je ging niet in het verzet uit hooggestemde idealen, maar omdat je er min of meer in rolde, evenals trouwens mensen collaboreerden uit zeer verschillende motieven en maar zelden uit ideologische.

Dat betekent ook dat de organisatiegraad nogal verschilde. De zogenaamde georganiseerde illegaliteit bestond uit niet meer dan een 'verzameling van ( . . . ) veelal flinterdunne netwerken van illegale contacten'. Van een strak van boven geleide organisatie was volgens Hilbrink geen sprake. Daarom verwijt hij andere historici het belang van het 'landelijk' topoverleg tussen de verzetsorganisaties schromelijk overschat te hebben. Zelfs het laatste oorlogsjaar hadden de leiders van de illegaliteit in de meeste gevallen geen duidelijke achterban.

Hilbrink bevestigt nog eens de conclusies van zijn voorbeeldige proefschrift De illegalen (Sdu, 1989) dat de illegaliteit met de April-Mei-stakingen van 1943 niets van doen had. Die stakingen hadden ook niet die 'bevrijdende werking' die leidde tot een massale uitbreiding van het verzet, zoals door De Jong en anderen werd geloofd. Dat gebeurde pas in september 1944.

Na alle gedegen regionale en lokale studies die het laatste decennium verschenen zijn, lijkt de tijd rijp dit soort regionale inzichten op landelijk niveau te toetsen. Het zou belangrijke correcties kunnen opleveren op de, volgens Hilbrink, tot dusver nogal zwaar op de Hollandse provincies geconcentreerde geschiedschrijving. Een samenhangende beschrijving van lokale en regionale oorlogsgeschiedenis kan tot beter begrip bijdragen van de bezettingstijd als geheel, schrijft Hilbrink, die daar nu zelf een belangrijke aanzet toe heeft gegeven.

Een geheel vormen de hoofdstukken in zijn boek echter niet. Na een veelbelovend begin treedt Hilbrink soms wat te zeer in details, terwijl hij in de laatste hoofdstukken zijn oorspronkelijk perspectief verlaat en wat al te voortvarend complexe onderwerpen als zuivering en het Militair Gezag op de conventionele wijze aanpakt, dat wil zeggen gezien vanuit het beleid van de top. En dan blijkt het moeilijk veel toe te voegen aan wat De Jong, Romijn, Termeer en anderen daarover al hebben geschreven.

Ook Hilbrink citeert uitvoerig het verslag van het stormachtige onderhoud op 2 november 1944 tussen een vertegenwoordiger van de Binnenlandse Strijdkrachten en de procureur-generaal van Den Bosch, Baron Speyart van Woerden, waarin deze de BS vergeleek met de bende van Toon Soep, in de jaren dertig verantwoordelijk voor de criminaliteit in Oss. In een artikel in het Noordbrabants Historisch Jaarboek - Deel 11 (1994) schetst J. van Merriënboer een genuanceerd portret van de 'lastpost' Speyart. 'Tendentieus' noemt hij het bewuste verslag dat door de illegaliteit op ruime schaal werd verspreid en waardoor de verhoudingen zo grondig verstoord werden dat de oud-illegaliteit Speyart dreigde te vermoorden als deze niet door de regering in Londen werd teruggeroepen. Het laatste geschiedde.

Het artikel van Van Merriënboer en dat van H. Termeer in hetzelfde Jaarboek verschaffen inzicht in de moeizame verhoudingen tussen illegaliteit, Militair Gezag en het burgerlijk bestuur in het bevrijde Zuiden. Evenals Hilbrink's boek sluit dit Jaarboek naadloos aan op de belangstelling onder historici voor de politieke machtsstrijd rond de bevrijding, voor de periode van zuivering en de machtswisseling van de elites.

Het is jammer dat Hilbrink Jaap Burger's onlangs uitgegeven Oorlogsdagboek (Bert Bakker) niet heeft kunnen gebruiken, maar niet minder levendig zijn de verhalen van W.E. Sanders, hoofd van de Centrale Inlichtingendienst, en de citaten uit de verslagen van de verhoren van de Parlementaire Enquêtecommissie 1940-1945 - de oud-geschiedenisleraar Hilbrink noemt deze verplichte lectuur om jonge Nederlanders zich te laten bezinnen op de gevaren van de bureaucratie. Het wachten is nu op een samenvattende bezettingsgeschiedenis zoals Burrin die over Frankrijk schreef. Hilbrink is ertoe in staat.

Dick van Galen Last

Dr C. Hilbrink: 'In het belang van het Nederlandse volk. . .' - Over de medewerking van de ambtelijke wereld aan de Duitse bezettingspolitiek 1940-1945.

Sdu; ¿ 39,90.

ISBN 90 12 08168 8.

Noordbrabants Historisch Jaarboek - Deel 11 (1994).

Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Den Bosch; ¿ 29,50.

ISBN 90 72526 29 5.

Meer over