Veiligheidsdenken duurt kort

Misschien behoren de Nederlandse gemeentebestuurders niet tot de meest fanatieke kroegtijgers. Maar zelfs de geheelonthouders onder de wethouders en raadsleden zullen weleens een overvolle bar of feestzaal betreden....

Het rapport van brandweerinstituut Nibra suggereert van niet. Het merendeel van de gemeenten die het instituut in opdracht van de commissie-Alders heeft onderzocht, doet te weinig aan de uitgifte, controle en handhaving van vergunningen die de veiligheid van bezoekers moeten garanderen.

Zo kort na de ramp in Volendam lijkt dat moeilijk voorstelbaar. De tragische dood en levenslange verminking van tientallen jeugdige feestvierders heeft de bestuurders genadeloos geconfronteerd met de mogelijke gevolgen van hun beleidskeuzes. In de weken en maanden na de ramp is dan ook talloze malen bericht over extra controles in horecagelegenheden.

Volendam heeft de dood onmiskenbaar weer in het café gebracht. Maar voor hoe lang? Eerdere, meestal kleinere, branden in horecagelegenheden hebben (lokale) bestuurders ook opgeschrikt. Meestal was de aandacht voor veiligheid, zo weet ook het Nibra, van korte duur.

De controle op de naleving van brand- en bouwvoorschriften kost een gemeente geld. Het werk kan niet bij de ondernemers in rekening worden gebracht, zoals gebeurt bij het afgeven van vergunningen. Dat zou de onafhankelijkheid van de overheidscontroleurs in gevaar brengen.

Een gemeente moet dus geld vrijmaken om preventieambtenaren - kosten circa een ton per persoon - aan te trekken. In Volendam was vóór de millenniumwisseling bijvoorbeeld een zo'n ambtenaar werkzaam, in Enschede vóór de ramp drie.

Gemeentebestuurders staan steeds voor de vraag waaraan ze geld moeten uitgeven. Gaat het naar de bibliotheek, het zwembad of naar andere voorzieningen die door burgers op prijs worden gesteld?

Of moeten er meer door het Nibra opgeleide ambtenaren, wier werk grotendeels onzichtbaar is, worden aangesteld? Landelijk zouden er duizend tot vijftienhonderd mensen extra nodig zijn.

Lang niet alle gemeenten zullen, gezien het beperkte aantal horecabranden met ernstige afloop, (langdurig) voor de laatste optie kiezen. Uit eerdere onderzoeken is al herhaaldelijk gebleken dat preventie niet de hoogste prioriteit geniet.

Sommige gemeenten hebben wel tot een koerswijziging besloten. Hilversum bijvoorbeeld besliste in januari al dat er meer geld voor veiligheid moest worden vrijgemaakt. De gemeente wil van vier naar negen preventieambtenaren. Een groot verschil met de reactie na de verwoestende horecabrand in 1988, waarbij drie doden en zeventien gewonden vielen. Toen nam Hilversum geen maatregelen.

Maar hoe ver reikt een herschikking van het gemeentelijke budget? Is dat genoeg? Kort na de ramp in Volendam zei de Achterhoekse brandweercommandant K. Scherjon, tevens voorzitter van het Landelijk Netwerk Brandpreventie, dat gemeenten zelden overgaan tot sluiting van nalatige horecabedrijven.

De rechter wordt gevreesd. Een cultuur van straffen ontbreekt. Daar helpt zelfs een overvolle gemeentekas niet tegen.

Meer over