Veerman, lekker man

Over humor valt nauwelijks te twisten. Ooit vond Nederland Wim Kan en diens oudejaarsconferences massaal ‘kostelijk’. Lachen! Uit die verre voortijd – Kan begon zijn (radio)conferences in 1954 – herinner ik me vooral flauwe naamgrappen, zoals ‘Beerman, lekker man’....

H.J. Schoo

Mr. A. Ch. W. Beerman was minister van Justitie voor de CHU in het kabinet-De Quay (1959-1963). Waarom Kan de spot met hem dreef, staat me niet bij. Maar Parlement & Politiek (www.parlement.com) geeft een vingerwijzing. Misschien had het te maken met uitlatingen ‘die wezen op mogelijke gratiëring van de vier in Breda gevangen Duitse oorlogsmisdadigers’. Of anders met Beermans restrictieve ‘spijtoptantenbeleid’. Dat, lees ik in Het Nederlandse Parlement van dr. E. van Raalte, leidde zelfs tot een PvdA-amendement op de begroting van Justitie ‘ter vermindering van de voor het ministerssalaris uitgetrokken post van f 42.500,– met * één gulden.’ Nog meer politieke humor. Al even jolig dreigde Beerman zelf met aftreden, want een ‘salarisachterstand’ was voor hem onaanvaardbaar.

Misschien ook, derde mogelijkheid, stak Kan de draak met Beerman omdat deze een half jaar na zijn aantreden nog steeds stond ingeschreven als advocaat en zelfs nog als zodanig optrad toen hij minister was. Gekker moet het niet worden, zouden we nu zeggen, een minister van Justitie die in de baas z’n tijd voor advocaat speelt.

Hoewel, CDA-minister Veerman – nu weer in opspraak wegens ongeoorloofd gebruik van zijn dienstauto – nam het niet zo nauw met het op afstand plaatsen van zijn boerenbedrijven, bleek vorig jaar. Hij ploegde zogezegd voort en incasseert als – intussen passieve – boer Brusselse landbouwsubsidies waarvoor hij zich als minister sterk maakte. Eerder slaagde Lubbers als bewindspersoon niet erin zijn zakelijke belangen buiten zijn directe bereik te houden.

Christen-democratische hebbelijkheden? Waar geen zakelijke belangen zijn, valt niets te verstrengelen. In die zin lopen PvdA-ministers met hun veelal bestuurlijk-ambtelijke achtergrond minder risico dan CDA’ers, die nog wel eens iets ondernemends hebben gedaan. Maar de PvdA had in Sicco Mansholt ooit ook een boer als minister van Landbouw. Onlangs verscheen zijn biografie, die ik voor Cicero besprak. Aan twee ‘schandalen’ kwam ik in die recensie niet toe.

Het eerste is dat Mansholt tijdens zijn ministerschap, dat van zomer 1945 tot januari 1958 duurde, zijn (pacht)boerderij in de Wieringermeer aanhield. Biograaf Van Merriënboer heeft niet kunnen vaststellen wat dat financieel voor Mansholt betekende, maar neemt aan dat hij er inkomsten aan ontleende. Pas toen Mansholt naar Brussel ging en landbouwcommissaris werd, moest hij de boerderij opgeven. De prille EEG bleek strikter in de leer dan het gemoedelijke – of nog ronduit slonzige – Den Haag.

Het tweede schandaal betreft de geruchten die na de oorlog circuleerden over Mansholts rijkdom. Het weekblad De Nieuwe Post schreef daarover in 1947: ‘Men fluistert, dat minister Mansholt belanghebbend is in de coöperatieve vlasfabriek Dinteloord.’ Wegens belediging werd de uitgever daarop veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken. ‘Pikant was’, noteert Van Merriënboer, ‘dat hij inderdaad aandelen had, in ieder geval tot en met 1945 en waarschijnlijk ook daarna.’

Zelfs na bijna zestig jaar is de implicatie onthutsend: die uitgever zat even waarschijnlijk ten onrechte in de bak – en Mansholt liet dat kennelijk gebeuren. Uit de biografie blijkt overigens nergens dat hij ‘rijk’ was. Integendeel, als landbouwcommissaris betaalde hij nog een schuld aan zijn moeder af. Als boerend minister had hij echter wel belangen, ook al deed een bedrijfsleider het werk en had hij die aandelen ‘gewoon nodig om zijn vlas zo goed mogelijk te kunnen afzetten’, zoals zijn biograaf schrijft.

Het gaat niet aan Mansholt met terugwerkende kracht op het procrustesbed van de huidige normen voor ‘integriteit’ en ‘transparantie’ te leggen. Dat zou met recht anachronistisch zijn. In naoorlogs Nederland heersten andere usances dan tegenwoordig, zoals ook het curieuze geval-Beerman laat zien. Maar regelrecht machtsmisbruik, zoals de vervolging van die uitgever, ging wel erg ver – ook voor die tijd.

Even anachronistisch zou het zijn minister Veerman te pardonneren onder verwijzing naar de casus-Mansholt. Wie zich aan een oud geval spiegelt, spiegelt zich zacht. Wij weten tegenwoordig beter, Veerman wist beter. Dat geldt de afstand die hij onverwijld tot zijn bedrijven had moeten nemen, zo goed als zijn, laten we zeggen, eigenzinnige gebruik van rijksvervoermiddelen. De oppositie dringt dan ook terecht erop aan dat hij daar alsnog voor betaalt. Iets voor een amendement op de landbouwbegroting?

Daarmee is de kous niet af. Veerman heeft opgemerkt dat het ministerschap, dat hij als een soort burgerplicht ziet, te grote offers vraagt. Daar zit iets in. De ‘salarisachterstand’ is groot, zeker vergeleken met bedrijfsleven en semi-overheid. Met het slinken van de ‘machtsafstand’ tot bewindslieden is ook hun ‘statusachterstand’ gegroeid. Je hele hebben en houden komt op een goudschaaltje terecht, je moet bij nacht en ontij in de Kamer verschijnen, de pers jaagt als een bloedhond op je. Wie ambieert straks nog zo’n uitgekleed, decorumarm ministerschap?

Ter wille van de waardigheid van het ambt moet het ministerssalaris eindelijk omhoog. De voorstellen liggen er. De oppositie doet er goed aan niet alleen te tutten over dienstauto’s, vliegreizen en onkosten. Ze moet ook royaal meewerken aan een veel te lang uitgestelde salarisaanpassing – en ministers vooral scherp de maat blijven nemen.

Meer over