Veelkoppig monster

Iedereen kent de jaren zestig, of denkt ze te kennen. Vrolijke liedjes, felle kleuren, geinige kunst. Een expositie in Londen laat dat zien, maar ook een duisterder kant....

Wie maalt om de Suez-crisis bij het horen van Elvis' Blue Suede Shoes?

Wie denkt nog aan Castro's Cuba wanneer Sam Cooke zijn zoete Cupid ten gehore brengt? En hoe moet je je concentreren op de gruwelen in Vietnam als je staat te swingen op Surfin' U.S.A. van de Beach Boys?

Dit zijn de jaren zestig, de tijdbalk aan het begin van de tentoonstelling laat daar gaan misverstand over bestaan. Van 1956 tot 1969 looptie, van de door de Sovjet-Unie bloedig neergeslagen Hongaarse opstand tot de eerste man op de maan, van die befaamde Suez-crisis tot de moord op Martin Luther King. Maar de juke box even verderop - een originele 'Manhattan' met elke jaren-zestighit die je je maar kunt wensen - schreeuwt harder dan de felrode jaartallen van de tijdbalk. De speciaal ingerichte kiosk, met vrolijke boeken en pakpapier in zuurstokkleuren, is aantrekkelijker dan de levenslange gevangenisstraf die Nelson Mandela in 1964 krijgt opgelegd.

Dit zijn de jaren zestig. De jaren van Marilyn Monroe, Brigitte Bardot, Pop Art, felle kleuren, stripfiguren, opblaaskunst, over the top reclame, televisiespelletjes, Twiggy, bolle ijskasten en futuristische fantasie kortom: alles wat nu eigenlijk ook weer (of nog steeds) hip en 'retro' is. Altijd leuk, ook al kennen we ze van buiten - denken we. Uit de tijdschriften, de zomermode bij H & M, van de plaatjes uit de Icons-serie van uitgeverij Taschen (zoals Future Perfect, All-American Ads 60s of Kitchen Kitsch), die overal in de boekwinkels liggen.

Pas wanneer de zware glazen klapdeuren dichtslaan, het geluid van de muziek is verstomd, en de ogen door de eerste tentoonstellingszaal dwalen - dan pas besef je het.

Natuurlijk. De jaren zestig. Die optimistische culturele jaren begonnen feitelijk hier: bij een zwart geblakerd assemblage-schilderij van John Latham (Burial of Count Orgaz, 1958), de autodestructieve kunst van de radicale Gustav Metzger, het Jackson Pollock-achtige 'gooi-en smijtwerk' van Gillian Ayres, en bij Anthony Caro's zwarte sculpturen (waarvan het metaal rechtstreeks van de sloop was gehaald).

In Engeland tenminste. Want dat is waar de expositie Art & the 60s: This was Tomorrow in de Londense Tate Britain zich op richt: de Engelse kunst en cultuur uit de jaren zestig. De titel is ontleend aan die van een belangrijke tentoonstelling in de Whitechapel Gallery in Londen in 1956, waar veel van de later beroemd geworden kunstenaars, zoals Richard Hamilton, het startsein gaven voor een nieuwe tijd.

Wat opvalt aan de tentoonstelling is de veelzijdige aanpak. De 'swinging sixties' worden hier belicht door zowel beeldende kunst als architectuur, door televisiefragmenten documentaire fotografie van fotografen als Don McCullin. Bovendien besteden de BBC en de Sunday Times deze zomer extra aandacht aan het onderwerp.

Stephen Deuchar, directeur van Tate Britain, slaat zichzelf en zijn team in het voorwoord van de uitgebreide catalogus op de borst vanwege die grootschalige 'multi-disciplinaire' benadering van het onderwerp - en gelijk heeft hij. Het mag de kijker, vooral degene die de periode slechts uit verhalen en boeken kent, tijdens diens bezoek aan This was Tomorrow dan af en toe duizelen van de informatie, een beter beeld van Engeland in de jaren zestig zal hij nergens anders vinden.

Beste kijkers. Dit zijn Peter Blake, Derek Boshier, Peter Phillips en Pauline Boty. Zij behoren tot de Young Contemporaries, jonge kunstenaars van de Londense Royal College, die kunst maken die misschien niet direct als zodanig herkenbaar is. Het is kunst die haar uiterlijk ontleent aan de straat, en alles wat daarbij hoort: verkeersborden, reclame, filmposters en massacultuur. 'It's a world packed with its own mythology'.

Zo ongeveer was de toon van de populaire BBC-documentaire Pop Goes the Easel, die in maart 1962 werd uitgezonden. Niet te moeilijk, een beetje zalvend ten opzichte van eventuele kijkers die moeite hadden met de nieuwe esthetiek in de schilderkunst, maar vooral open en nieuwsgierig. Ook de beelden waren low profile. Het Britse BBC-publiek zag de eerste paar minuten niets anders dan de vier jonge babyboomers die op de kermis lachend ballen gooiden en ritjes door het spookhuis maakten. Pas daarnaakte men kennis met de nieuwe kunststroming zelf, die vanaf 1960 als een raket omhoog schoot.

Werd gelanceerd, is misschien een betere omschrijving. Want niet alleen de BBC besteedde aandacht aan de Pop Artists, ook de Sunday Times deed mee. Op 4 februari 1964 kwam de krant met de Sunday Times Colour Magazine, de eerste editie van een cultureel supplement met daarin een paginagroot verhaal over Peter Blake, die door iedereen werd beschouwd als de 'voorman' van de kunstbeweging.

Een link met het heden - op de tentoonstelling niet aangedikt maar in de catalogus wel subtiel aangestipt - is meteen gelegd. Zgineel was het dus ook weer niet, in de jaren negentig, die commerci lancering van de Young British Artists, zoals Damien Hirst, Tracey Emin, Sarah Lucas en de Chapman-broertjes, door reclameman Charles Saatchi. Het was dertig jaar daarvoor al gedaan, en niet slecht ook.

En misschien was het toen ook wel meer gerechtvaardigd. Want de Young Contemporaries mogen dan gehyped zijn, ze vormden in instantie een stilistisch hechtere groep dan de yBA's ooit zijn geweest. Die laatste club leek achteraf gezien eerder van schandaaltjes en opgeklopt heldengedrag aan elkaar te hangen dan van eensgezindheid over een nieuwe stroming in de beeldende kunst.

Dat was in de jaren zestig wel anders. Als de jonge kunstenaars het over ding eens waren, was het over de breuk met het verleden (en het spook van de Tweede Wereldoorlog) en de honger naar verandering. Grmoest het nieuwe kunstwerk zijn, in navolging van het Abstract Expressionisme dat uit Amerika was komen overwaaien.

Het moest een ode zijn aan de visuele wereld, waarvan de ingredien ook voornamelijk uit Amerika afkomstig waren, maar die door de Engelsen op hun eigen droge manier werd ingevuld. Door Blake bijvoorbeeld, die in 1961 verwees naar de geschilderde schietschijven van Jasper Johns met een doek waarop een te schietschijf was bevestigd. The first real target? zette hij er fijntjes ironisch boven.

Een Pop-schilderij was een kakofonie aan kleuren en vormen - niet per se, of eigenlijk: liever niet, gebonden aan een rechthoek -, tekens en verwijzingen naar banale dingen als Kelloggs Cornflakes (Special K van Boshier uit 1961), TyPhoo Tea (Tea Painting in an Illusionistic Style van David Hockney uit 1961) en automerken (Hommage hrysler Corp. van Richard Hamilton uit 1957). Voor de kunstenaars zelf kon het niet ver genoeg gaan, die combinatie van hoge en lage cultuur. Voor de oudere generatie was het soms teveel van het goede. Peter Phillips werd weggestuurd door een radeloos bestuur van de Painting School dat niet wist wat het aanmoest met Phillips' liefde voor techniek, flipperkasten billboards vroege Italiaanse altaarstukken, het liefst tegelijkertijd verwerkt in schilderij.

Vanuit deze nieuwe, radicale vormentaal, die niet alleen belangrijk was voor de ontwikkeling van de beeldende kunst zelf maar ook de relatie tussen kunst en de kijker op scherp zette, vloeit de tentoonstelling chronologisch voort. Maar niet zonder steeds de paradoxale aspecten en de historische context van de jaren zestig te blijven benadrukken.

Zo demonstreert in de ene zaal Mick Jagger tegen Vietnam (op een foto van reportagefotograaf Michael Cooper) en spreekt ook de kunst zich uit op politiek gebied (in 1963 bouwde Colin Self een nucleaire bommenwerper van luipaardhuid), terwijl men in de volgende ruimte het feest der liefde (en drugs) viert, met odes aan The Beatles en Kim Novak.

En waar de bezoeker eerst wordt meegesleurd in een heftige confrontatie van Yoko Ono met haar publiek (Cut Piece uit 1965), staat hij even later enigszins verbaasd tegenover een leger nietszeggende groene marsmannetjes van Nieerste cholas Monro of een badschuim ophoestende sculptuur van David Medalla. This was Tomorrow is een veelkoppig monster dat met plezier zijn lange nekken in de knoop legt om de bezoeker op het verkeerde been te zetten.

Drie jaar geleden pakte het Centre Pompidou in Parijs uit met Les Ann Pop 1956-1968. Het was een tentoonstelling die alleen de vrolijke kant van die tijd belichtte zonder veel aandacht te besteden aan de historische context die vaak lang zo vrolijk niet was. De samenstellers van This was Tomorrow hebben zich tijdig gerealiseerd dat de de blik op die periode steeds weer moet worden verscherpt en verdiept, om oppervlakkigheid te voorkomen. Dat is gelukt.

Jaren-zestigkunst optimistisch? Ja, wat betreft de opleving van de schilderkunst en de sculptuur, de ontdekking van een nieuwe (nog altijd niet uitgeputte) vormentaal. Nee, wanneer het werk verwijst naar de wapenwedloop, de oorlog in Vietnam. De jaren zestig fris en fruitig? Wel in haar ongecompliceerde en schaamteloze adoratie van popsterren en de omarming van de lage cultuur. Niet in de performances tijdens het Destruction in Art Symposium (DIAS), waarin piano's werden vernield en halfnaakte meisjes door etensresten rolden.

Maar misschien waren juist die extreme tegenstellingen nodig om te komen tot de 'magische tijd', zoals de jaren zestig in Engeland door velen die ze meemaakten worden beschreven. Ju na de 'nietszeggende' jaren vijftig, zegt cartoonist Gerald Scarfe in de speciale uitgave van het Sunday Times Magazine, 'had ik nu voor het eerst de kans om mijn woede over de politiek en de maatschappij in alle vrijheid te uiten'.

Meer over