Veel meer dan dans alleen

In het Holland Festival is Angoloscuro te zien, de eerste productie van The Forsythe Company die naar Nederland komt. Het is ‘een Freudiaanse klucht’, zegt Forsythe zelf, ‘een model van ons onderbewustzijn waar de dansers de doods- en levensdriften zijn.’..

Door Mirjam van der Linden

‘Bin-ich-ein-Ba-by?! Bin-ich-deín-Ba-by?!’, kraait het wezen met de bolle buik waaruit een lange, zwarte, stoffen sliert gulpt die afwisselend associaties oproept met een darm, een penis of een navelstreng. Het zijn ongemakkelijke vragen, die niet passen bij een pasgeborene en zich door de snerpende uitspraak in je geheugen griffen. Ook het lachje waarmee danseres Dana Caspersen haar zinnen afsluit, doet vermoeden dat deze ‘baby’ alles behalve een onschuldig, onbeschreven blad is. In de foyer van een hotel in een landelijk dorpje vlakbij Dresden, de voormalige Oost-Duitse stad waar Angoloscuro de avond ervoor werd gedanst, moet choreograaf William Forsythe smakelijk lachen. Hij is spaarzaam met interviews, maar op deze zonnige ochtend in maart is er geen vuiltje aan de lucht. ‘Deze voorstelling is zeker niet voor kinderen onder de 14! O baby, die zou je écht van alles moeten uitleggen.’

Komende week is Angoloscuro (2007) te zien tijdens het Holland Festival. Het is voor het eerst dat een stuk gemaakt voor The Forsythe Company, het ensemble dat Forsythe in 2005 oprichtte, in Nederland wordt gepresenteerd. Forsythe, die tegenwoordig resideert in Festspielhaus Hellerau in Dresden en het Bockenheimer Depot in Frankfurt, geldt als een van de belangrijkste vernieuwers van het klassieke ballet. Een nieuwe Forsythe blijft een must see, hoe anders zijn dans – minder puur, minder openlijk virtuoos, minder balletachtig; meer theater, meer performance – de laatste jaren ook is geworden.

Of líjkt te zijn geworden, want daarover valt te twisten, zeker met ‘Bill’ zelf. Deze jongensachtige, charmante Amerikaan van 60, net opa geworden, plaatst alles wat hij doet hardnekkig binnen dezelfde, consequente visie op choreografie.

In Angoloscuro (‘duistere hoek’) wemelt het van de morbide wezens en gebeurt er veel meer dan dans alleen. De dansers stoten onbegrijpelijke klanken uit, doorspekt met gerochel en gehijg, gekots en gepuf, geknor en gesis, en in het geluidsdecor van Thom Willems vult het rotte gezoem van vliegen met regelmaat de nok van Festspielhaus Hellerau. Door de kostuums, van onder anderen de Japanse modeontwerper Issey Miyake, veranderen de lichamen veelvuldig van uiterlijk en gedaante, worden ze vlakken en objecten, abstracte entiteiten die wel herkenbaar gedrag vertonen. Zo is er een harige vacht die alleen het gezicht vrijlaat of een danser die, in een stijf tapijt gehuld, verandert in een driehoek met ogen. De twee tovenaars uit Heterotopia (2006) duiken weer op en ook Magere Hein schuifelt voorbij. Forsythe spreekt van ‘een Freudiaanse klucht, een model van ons onderbewustzijn, waar de dansers de doods- en de levensdriften zijn.’

Forsythe heeft in de jaren tachtig en negentig naam gemaakt met balletten als Artifact, The Loss of Small Detail, Impressing the Czar, Limb’s Theorem. Ze worden nog steeds overal ter wereld gedanst. Dat de gemeente Frankfurt de subsidie aan zijn wereldberoemde Ballett Frankfurt in 2004 na twintig jaar stopzette (men wilde iets conventionelers) riep grote verontwaardiging op. De choreografieën van toen zijn nog steeds superspannende, fysiek en mentaal uitdagende, verhaalloze constructies van hoofdzakelijk beweging, en daarnaast geluid en geregeld ook tekst. Dansers vormen met hun klassiek getrainde lichamen de meest drastische hoeken, vaak off-balance, en verbazen met razendsnelle variaties en overgangen en complex partnerwerk. Forsythe gebruikte in feite dezelfde boutjes en moertjes als in Doornroosje of Het Zwanenmeer, maar creëerde er lichaamsbeelden mee die eerder verbrokkeling, tegendraadsheid en kracht uitstralen dan lange lijnen, harmonie en gratie.

Als je Forsythes ‘ballet met een twist’ vergelijkt met het meer theatrale Angoloscuro of met Decreation en Kammer/Kammer, Forsythes laatste stukken uit zijn Ballett Frankfurt-tijd die eervorig jaar in het Holland Festival stonden, is het niet vreemd dat her en der wordt opgemerkt (en ook wel betreurd) dat Forsythe steeds minder ‘echte’ dans maakt en steeds ‘experimenteler’ wordt. Forsythe irriteert het mateloos: ‘Het is een idiote, onredelijke constatering! Praat met mijn dansers, die zijn fysiek uitgeput na gisteravond. Met tekst werk ik al sinds 1976, dus dat is niks nieuws. Alleen de formule heb ik omgedraaid: we zijn nu een groep komedianten die kunnen dansen. Wie mijn werk in een bestaand genre wil duwen, wens ik succes met zijn toekomst.’ En dan, grinnikend: ‘Die van mij ziet er waarschijnlijk een stuk interessanter uit. Alles wat ik doe, is choreografie. En choreografie kan duizend dingen zijn.’

Het mag gratuit klinken, maar in de filosofie en ontwikkeling van Forsythe is het een integere en logische uitspraak. Forsythe heeft zich altijd beziggehouden met het oprekken van grenzen. Eerst die van de klassieke ballettaal, nu die van choreografie. Hij stelt in feite voor om choreografie (als compositie) los te koppelen van de dansbeweging an sich en dus ook van het dansende lichaam. Natuurlijk, het fysieke denken manifesteert zich bij uitstek in het lichaam. Maar, zo vraagt Forsythe zich af: ‘Kan fysiek denken er ook nog anders uitzien? Kan choreografie zich ook op andere manieren dan in dans manifesteren?’ In een van zijn essays verwijst hij naar de blinde filosoof Jacques Lusseyran, die uitgebreid heeft beschreven hoe ‘zien’ niet afhankelijk is van het oog en hoe zijn ‘zien’ het verschil tussen een innerlijke (blinde) wereld en een uiterlijke (niet-blinde) wereld naast zich neer heeft gelegd. Forsythe stelt dat ook choreografie van gedaante (‘zintuig’) kan veranderen en in elke mogelijke ruimte (‘wereld’) kan plaatsvinden.

Het idee dat choreografie niet vastzit aan een (dansers)lichaam en in essentie draait om de relatie tussen ruimte en beweging, heeft Forsythe op verschillende manieren vorm gegeven. Naast voorstellingen in het theater is hij steeds vaker installaties – ‘choreografische objecten’ noemt hij ze zelf – gaan maken voor musea als het Louvre in Parijs en Tate Modern in Londen. In City of Abstracts bijvoorbeeld worden de bewegingen van voorbijgangers op drukke plaatsen in grote steden gefilmd en ter plekke inzet van een abstract, computergestuurd lijnenspel. En tijdens de vorige Biënnale van Venetië, in 2009, konden bezoekers van The Fact of Matter een ruimte met tweehonderdvijftig turnringen doorkruisen, staand in de ringen, stappend van ring naar ring. Het gevolg was een sensitieve bewustwording van het eigen lichaam. Forsythe: ‘Je leerde echt iets over je lijf. Je verloor wie je dacht te zijn. Wiebelend in die ringen blijk je opeens niet sterk, licht of in evenwicht.’

Maar ook op internet heeft Forsythe zich uitgeleefd. Vorig jaar lanceerde hij Synchronous Objects for One Flat Thing, reproduced (http://synchronousobjects.osu.edu). Dit interactieve webproject geeft inzicht in de complexe structuren van een choreografie en laat zien hoe choreografische organisatieprincipes inderdaad ook zonder dans te verbeelden zijn. Om de choreografische structuur te visualiseren worden dansbewegingen omgezet in data en objecten. Zo is er software die de bewegingsdichtheid (waar in de ruimte spenderen dansers de meeste tijd?) vertaalt in een fascinerend driedimensionaal berglandschap met heuvels, pieken en dalen.

Dit virtuele analysemodel staat dichter bij Forsythes balletdans van tig jaar geleden dan op het eerste gezicht lijkt. Telkens weer blijkt namelijk dat Forsythe een conceptuele geest is, geïnteresseerd in abstracties en constructies, niet in verhalen of emoties. Angoloscuro gaat volgens hem zelfs primair om ‘hoe het stuk werkt.’ Of het nu zijn oudere of zijn nieuwere creaties, zijn dans of zijn installaties betreft: in wezen is Forsythe altijd bezig met ordeningsprincipes. Op welke gronden kun je bewegingen maken, veranderen, in een bepaalde volgorde zetten? Forsythe ging te rade bij structuralisten, semiotici, linguïsten, mathematici, programmeurs, of zette toevalsprincipes in zoals in Eidos: Telos, waar een klok elke twee seconden willekeurig een nieuwe letter aangeeft die is gekoppeld aan een bepaalde bewegingsfrase, bijvoorbeeld een achterwaarts zwaaiende arm.

Voor Angoloscuro heeft Forsythe de werking van het onderbewustzijn als leidraad genomen. De choreograaf die wars van psychologisering is, kwam grappig genoeg dus bij Freud uit. Deze psychoanalyticus focuste op de schaduwkant van de mens en bouwde met dromen een model van het onderbewustzijn. Vooral het reilen en zeilen daarvan fascineerde Forsythe: ‘In dromen is net zo’n vreemde handel, net zo’n vreemde ruil gaande als in de wereld van de tovenarij. Iets staat voor iets uit het dagelijks leven, maar net niet helemaal. Iets heeft een bepaalde betekenis, maar ook weer niet echt. Met die verwarring speel ik in Angoloscuro. In de vele black-outs worden bewegingsfrases constant bruut afgebroken en dansers stelselmatig uitgeruild. Ik wil mijn publiek altijd iets te ‘lezen’ geven, geen voorgekauwde betekenissen voorschotelen. Angoloscuro is opgezet als een raadsel.’

Tijdens de voorstelling zit Forsythe zelf bijna letterlijk met zijn vingers achter de knoppen. Door de technici steeds een seintje te geven stuurt hij geluid, licht en beeld live aan. Hij bepaalt wanneer er een donkerslag komt en de dansers moeten opgaan, afgaan of zich dienen te herpositioneren. Hij bepaalt wanneer het onheilspellende geluid van verval de nok van het theater weer vult. Forsythe: ‘Ik kijk naar wat de dansers doen, niet alles ligt vast, ik wacht het juiste moment af en dan – bam, go! – breek ik in. Ik dirigeer het stuk.’ Na even denken: ‘Maar ik voel me ook een beetje de man in de kelder die ervoor zorgt dat de verwarming werkt. De vakman die aan alles sleutelt, trekt en draait.’ Forsythes stukken kunnen raadselachtig zijn, absoluut, maar hij is ook de eerste om ze te demystificeren.

Of Forsythe nu wel of niet experimenteel bezig is met een stuk als Angoloscuro hangt natuurlijk helemaal af van wat je onder experimenteel verstaat. Forsythe zelf noemt Angoloscuro in eerste instantie ‘een zeer traditioneel stuk’, in de zin dat het zich in een theater afspeelt, met lichten die aan en uit gaan en dansers die tot slot buigen. Ook wijst hij op de ambachtelijkheid van de prestaties en het onderhoudende karakter van de voorstelling (‘urwitzig’ vindt hij haar zelfs). Maar voordat het gesprek ontaardt in een ontwijkend woordspel vertelt hij dat hij wel degelijk iets heeft willen onderzoeken. ‘Ik probeer nog altijd uit te vinden hoe de klassieke wetten van het theater werken, hoe ik die kan openbreken. Angoloscuro heb ik heel kaal willen houden. Nauwelijks decors, simpele kostuums, gewoon licht in plaats van theaterbelichting. De kunst zit ’m in de individuele prestaties van de dansers, natuurlijk, maar vooral ook in de timing van de cues.’

Als die timing goed is, zoals in Dresden, ontstaat er een dansvoorstelling die op z’n minst verrassend is doordat ze via beeld gaat werken als een concert. Door alle flarden en chaos heen wordt een interne logica voelbaar die meeslepend werkt. Je vergeet te zoeken naar betekenissen en gaat op in het ritme van de live montage. Forsythe’s muzikale gevoel – zijn grootvader was concertviolist en liet zijn kleinzoon al op jonge leeftijd thuis symfonieën dirigeren – is dan alom voelbaar.

Meer over