Van Mierlo mist kern Euromalaise

Minister van Mierlo heeft gisteren voorstellen gedaan die een meer daadkrachtig buitenlands optreden van Europa mogelijk zouden maken. Bob van den Bos plaatst daar enige kritische kanttekeningen bij....

VAN het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie is sinds de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht nog minder terechtgekomen dan daarvoor. De Nederlandse regering doet in de gisteren gepresenteerde nota weliswaar suggesties om de effectiviteit van de besluitvorming te vergroten, maar gaat niet in op de politieke oorzaken van de geconstateerde malaise. Toch is het goed hierbij stil te staan. Laat ik er een vijftal noemen.

1. Omdat ons continent niet meer wordt beheerst door twee supermogendheden is er zowel voor Oost- als Westeuropese staten veel meer ruimte voor het voeren van een eigen, nationale buitenlandse politiek. De oriëntaties van de hoofdrolspelers lopen steeds verder uit elkaar: de Duitse blik is vooral op het Oosten gericht, de Franse op het Zuiden en de Britse op het Westen.

2. De nieuwe machtsverhoudingen zijn nog lang niet uitgekristalliseerd. Regeringen trachten, elk op eigen wijze, de mogelijke dominantie van Duitsland en de ongewisse ontwikkeling van Rusland in hun buitenlands beleid te verdisconteren. Nieuwe coalities worden afgetast.

3. Europese politiek is na Maastricht in de grote lidstaten prominent onderwerp van binnenlands debat geworden. Regeringen worden gedwongen meer rekening te houden met opvattingen in eigen parlement en bevolking.

4. Binnenlandse problemen als werkloosheid en criminaliteit leiden tot een grotere naar binnen gerichtheid. Een houvast wordt dicht bij huis gezocht. De eigen identiteit vormt zich door zich af te zetten tegen alles wat van buiten komt.

5. Bestond Europese buitenlandse politiek tot voor kort bijna uitsluitend uit het afleggen van verklaringen, tegenwoordig moet de daad bij het woord worden gevoegd. Vredesmissies, zoals in ex-Joegoslavië of Afrika vergen grote menselijke en financiële offers en daar worden regeringen het nu eenmaal niet gemakkelijk over eens.

Buitenlandse politiek staat meer dan in de afgelopen decennia ten dienste van de eigen internationale herkenbaarheid. Deze behoefte valt slecht te rijmen met een onderdompeling in een 'anoniem' gemeenschappelijk Europees beleid.

Hoe verhouden deze oorzaken zich nu tot de door de regering gesuggereerde institutionele veranderingen?

Allereerst de voorgestelde versterking van de beleidsvoorbereidingscapaciteit. Het is op zichzelf een waardevol idee om een hooggekwalificeerde eenheid te belasten met het grondig prepareren van gemeenschappelijke standpunten. Maar ook zo'n eenheid kan het probleem van uiteenlopende belangen en de hernieuwde nationale profileringsdrang niet oplossen.

Communautarisering van het GBVB is uit het oogpunt van efficiëntie en democratisering dringend gewenst. Maar alle vijf genoemde factoren wijzen helaas in de tegenovergestelde richting. De bereidheid van lidstaten om het communautaire element te versterken is gering.

Het kabinet is zich bewust van de weerstanden tegen deze traditionele Nederlandse voorkeur en lijkt zich nu te scharen achter het Duitse voorstel van meerderheidsbesluitvorming op de huidige intergouvernementele basis.

Het is echter uitgesloten dat landen als Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk op dit gevoelige terrein een regeling aanvaarden waarbij zij overstemd zouden kunnen worden. Deze vorm van beslissen betekent bovendien een vergroting van het democratisch tekort. Als een minister wordt overstemd, kan zijn nationale parlement hem daar niet voor verantwoordelijk stellen. Uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement zou uitkomst kunnen bieden, maar ook daar hebben belangrijke lidstaten onoverkomelijke bezwaren tegen.

De formule van consensus min één zou al een aanzienlijke verbetering betekenen en het bijvoorbeeld Griekenland onmogelijk maken keer op keer vooruitgang te blokkeren. Al deze procedurele wijzigingen kunnen echter de onderliggende oorzaken van de huidige stagnatie niet wegnemen. Ernstiger nog, zelfs als dit soort verbeteringen worden doorgevoerd, dreigt een GBVB in een toekomstige EU van zo'n 25 tot 30 lidstaten volkomen vast te lopen.

De potentiële nieuwe lidstaten (in Midden/Oost-Europa) zijn onderling niet minder verdeeld dan de huidige. De behoefte om met zoveel landen over zoveel onderwerpen tot overeenstemming te komen lijkt een garantie voor totale verlamming.

Het is dan ook verstandig om het hele GBVB-concept aan een fundamentele herbezinning te onderwerpen. Bovenal is er geen enkele noodzaak alle lidstaten bij alle kwesties te betrekken. Algemene deelneming kan beperkt worden tot afspraken die de belangen van het Europese werelddeel als zodanig raken, zoals ernstige bedreigingen van de veiligheid van het hele continent.

Het is ogenschijnlijk aantrekkelijk om als Europa in wereldfora een gemeenschappelijk standpunt uit te dragen. Het is echter veel belangrijker om met een substantiële inzet te komen van weinig landen die er toe doen, dan met niets of een verwaterd compromis van vele landen die geen gewicht in de schaal leggen. Waarom zouden Malta of Slovenië moeten meepraten over problemen in de Baltische staten; waarom zou Letland zich moeten bemoeien met een ruzie tussen Spanje en Canada?

IN een verbrede EU is het onvermijdelijk alleen die lidstaten bij de besluitvorming te betrekken die bereid en in staat zijn wezenlijk bij te dragen aan de uitvoering. We zouden dit het 'Europa van het flexibele engagement' kunnen noemen.

De harde kern hiervan zou gevormd kunnen worden door Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Daarmee is de oostelijke, zuidelijke en westelijke oriëntatie in het hart van het GBVB-instrumentarium verankerd. Natuurlijk is er veel kritiek mogelijk op de Britse Europa-politiek, maar het zou een machtspolitieke vergissing zijn de as Bonn-Parijs niet naar Londen door te trekken. Groot-Brittannië is een van de vijf atoommachten, permanent lid van de Veiligheidsraad, lid van de G-7, enzovoort. Het is in staat en bereid een relatief grote verantwoordelijkheid op zich te nemen, zoals in de Golfoorlog en ex-Joegoslavië is gebleken. Een Frans-Britse toenadering ligt bovendien in de rede als tegenwicht voor een mogelijke Duitse dominantie.

De Benelux-landen zouden er goed aan doen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij deze triangel. Door de intensieve contacten en de belangenverstrengeling zullen de grote drie ontvankelijker zijn voor de inbreng van hun kleine buren dan van verre partners. Onze invloed zou disproportioneel kunnen worden als de hoofdrolspelers onderling verdeeld zijn.

Met onze Atlantische bindingen en de heroriëntatie op het continent zouden wij een brugfunctie moeten kunnen vervullen tussen Londen en het vasteland. Daartoe is het wel noodzakelijk dat wij met alle partners op een even goede voet verkeren. Dit betekent dat onze vertrouwensrelatie met Frankrijk verbetering behoeft. Maar ook dat we ons moeten onthouden van zodanige liefdesverklaringen aan het Frans-Duitse koppel dat we niet meer tegelijkertijd onze Britse partner onder de kin kunnen strijken.

Het zal al een hele toer zijn om de bescheiden Nederlandse voorstellen op de komende intergouvernementele conferentie erdoor te krijgen. Dit besef moet ons er echter niet van weerhouden een fundamentele discussie te starten over de toekomst van een Europees buitenlands- en veiligheidsbeleid.

Bob van den Bos is woordvoerder buitenland van de Tweede Kamerfractie van D66.

Meer over