Van Manggong rest slechts de naam

YOGYAKARTA - Acht meter scheiden ons maar van het Indonesische gehucht Manggong. Ongeveer twee keer de hoogte van een volwassen mangoboom. Sudik kijkt achterom en meet de afstand tot het uitgebrande geraamte van het vluchtelingenhuis. Dan kijkt hij naar voren en schat hoe ver hij van de landbouwschool van Cangkringan is, die de kleur heeft gekregen van de dikke laag as die erop is neergedaald. Dan wijst Sudik omlaag, naar het grijze slik onder zijn voeten. 'Ik denk dat het hier was... Hier stond mijn huis... Denk ik...'


Manggong is op 5 november bedolven onder een gloeiendhete laag as en stenen. De Merapi bulderde al dagen en 4 november was het al bijna raak geweest. Maar die ene uitbarsting, in de nacht van 5 november, maakte een einde aan alle dromen van Sudik, en aan zijn geboortedorp, Manggong. 'Alleen de naam is nog over', zegt de 39-jarige Sudik. 'De naam en verder niks.' De mangobomen zijn verdwenen, net als drie oude mensen die te eigenwijs waren om te vertrekken, 170 huizen en honderden koeien. Alles is vermalen in die lawine van as en stenen die in razende vaart van de berg af donderde en de groene kleine vallei veranderde in een kale, dode vlakte.


Het huis van Sudik was net klaar. Acht jaar had hij eraan gebouwd, en in september, net voor het einde van de vastenmaand, had hij de laatste tegels gezet. Dat had het huis moeten worden waarin hij en zijn vrouw oud zouden worden en hun 9-jarig zoontje zou opgroeien. 'Maar God heeft misschien betere plannen met mij', zegt Sudik berustend. Hij maakt met zijn mobiele telefoon een paar foto's van de Merapi, die zich deze ochtend in volle glorie laat zien. Uit de opengescheurde top van de berg dampt nog een onschuldige rookpluim die een kaarsrechte witte streep door de blauwe lucht trekt.


Sudik maakt de foto's 'voor als ik hem ga missen', zegt hij. Hij is hier geboren en opgegroeid. De berg was zijn thuis, maar nu heeft hij hem verraden, en Sudik wil hier weg. Hij heeft zich opgegeven voor het 'transmigratie'-programma van de overheid: hij wil met zijn familie 'emigreren' naar een ander eiland. Het programma voorziet in de reis, een stukje grond van 2,5 hectare, zaaigoed en een halfjaar uitkering, om ver weg een nieuw bestaan op te bouwen.


Met dit vrijwillige vertrekprogramma probeert de regering al tientallen jaren iets te doen aan de overbevolking van het eiland Java, maar nu lijkt het ook handig voor Merapivluchtelingen die door de vulkaanuitbarsting alles zijn kwijtgeraakt. Enkele honderden zijn er al vertrokken, de meeste naar Kalimantan, een onderbevolkte provincie op het eiland Borneo. Daar wil Sudik ook heen. Hij heeft zijn handtekening al gezet en wacht nu op een oproep om met zijn gezin en acht andere familieleden te vertrekken.


Sudik kent geen twijfel. 'Ik ben alles kwijt. Mijn tuin, mijn huis. Ik heb hier niets meer', zegt hij. Maar de belangrijkste drijfveer is de angst. 'Wij zijn bang. Straks, over een paar jaar kan dit weer gebeuren. 'Hier blijven lijkt tijdverspilling. Ik wil niet dat mijn zoon straks een huis bouwt en dat dat dan weer wordt verwoest. Ik wil naar een plek zonder vulkaan en zonder aardbeving. Zodat we worden verlost van die trauma's.'


Een paar honderd slachtoffers van de Merapi hebben dezelfde keuze gemaakt als hij. Enkele families zijn al vertrokken, de rest volgt de komende maanden. Maar veruit de meeste mensen blijven het liefst op de berg waar zij zijn geboren en opgegroeid. Als de autoriteiten bekendmaken dat de berg weer veilig is, stroomt het voetbalstadion van Yogayakarta leeg. Op dinsdag zijn er nog maar 3.674 van de tienduizenden vluchtelingen over; 90 procent is teruggekeerd naar de berg en begonnen met opruimen. Zoals Warji, wiens huis net aan de rand van de verwoesting staat, driehonderd meter van de plaats waar Sudik denkt dat zijn huis heeft gestaan. Warji heeft de was gedaan en de woonkamer al schoongebezemd. 'Ik wacht eigenlijk alleen nog op stroom. Als de lampen het weer doen, ga ik verhuizen.'


Aan de rand van de as-woestenij begint dinsdagmiddag een groep reddingwerkers te graven. De gravers dragen handschoenen tegen de hitte. De stenen die zij uit de grond halen zijn gloeiend heet. De mannen zoeken naar lichamen. Op de plek waar zij graven, moeten een moeder en haar kind liggen. Dat zegt ten minste de man die de reddingwerkers de plek heeft gewezen en die nu met een verbeten gezicht naar het graafwerk staat te kijken.


Ook in Sudiks bedolven dorp moeten nog lichamen liggen. Sudik weet van zeker drie mensen dat zij daar nog waren toen de as hun huizen verpletterde. 'Het waren oude mensen. Zij wilden niet weg', zegt Sudik. Warji heeft eenzelfde ervaring. 'Wij reden met de bromfiets naar beneden. Aan de rand van de weg zaten mensen. Zij zeiden: alles is goed, ons gebeurt niks. Ik heb ze niet meer gezien. Er zijn veel mensen verdwenen.'


Sudik doodt de tijd door mee te werken aan de bouw van barakken. De vluchtelingen die hun huizen kwijt zijn, zoals hij, hebben woonruimte nodig, want niemand weet hoe lang zij op een nieuw huis moeten wachten. De regering heeft huisvesting beloofd, maar niemand weet waar die huisvesting komt, en wanneer. De onzekerheid maakt het bestaan van de vluchtelingen alleen nog maar uitzichtlozer. De ervaring, onder meer met de aardbeving van 2005 heeft geleerd dat het heel lang kan duren voordat beloften van de regering worden ingelost.


Enkele honderden vluchtelingen demonstreren maandag bij het kantoor van de gouverneur van Yogyakarta om duidelijkheid te eisen. Die krijgen zij niet en dinsdag zitten zij weer als vanouds in de catacomben van het voetbalstadion. 'Tungguh aja', zeggen zij. 'We wachten het af.'


Meer over