Van God los of aan God vast

Verveling is een modern en veelbesproken probleem, waaraan veel maatschappelijke misstanden worden opgehangen: drugs- en alcoholmisbruik, vandalisme, zinloos geweld, enzovoort....

Verveling wordt vaak in verband gebracht met jeugdwerkloosheid, en dan lijkt de oplossing heel simpel: zorg dat de desbetreffende jongeren een baan krijgen, zodat ze geen tijd meer hebben om zich te vervelen.

Zo bezien is de verveling eerder een sociaal-economisch verschijnsel dan een filosofisch probleem dat iets zegt over de menselijke conditie. Maar zo bekijkt Lars Svendsen, hoogleraar filosofie in Oslo, de verveling niet. Volgens hem zegt de verveling iets over de manier waarop vooral de moderne mens in het leven staat.

In zijn boek Filosofie van de verveling rekent Svendsen het probleem van de verveling tot de 'grote vragen' van het leven. Een analyse van dit probleem biedt de mogelijkheid 'om iets wezenlijks over de voorwaarden van onze existentie onder woorden te brengen'. Hij is trouwens niet de eerste die hiermee komt: Martin Heidegger schreef in het begin van zijn carri een uitvoerige fenomenologische analyse van de verveling.

(Aan deze analyse wijdt Svendsen in zijn boek een apart hoofdstuk, overigens niet het meest heldere.)

Voor Svendsen bestaat er een wezenlijk verband tussen de opkomst van de romantische levenshouding en de verveling als filosofisch probleem. De schakel tussen die twee is het individualisme. Door het wegvallen van God als universele zinverlener wordt de mens gedwongen zelf zin en betekenis te geven aan zijn bestaan: hij wordt het individu dat zijn eigen wereld moet cren. Deze grootse opdracht kan op twee manieren worden ervaren: als bevrijding en als belasting.

Tijdens de Verlichting werd vooral het eerste aspect benadrukt, de bevrijding uit de kluisters van autoriteit en traditie. Met de Romantiek komt als het ware de ontnuchtering: de herohe uitdaging die de nieuw verworven vrijheid lijkt in te houden, slaat om in een loodzware, misschien wel onvervulbare opdracht. Het absoluut vrije subject komt tegenover een lege wereld te staan, die hij maar niet met een betekenisvolle inhoud weet te vullen. Deze mislukking confronteert hem met de leegte in hemzelf: blijkbaar is de lege wereld niets anders dan de objectivering van het lege 'zelf'. De lege wereld houdt het absoluut vrije subject een spiegel voor, de spiegel van de zinloosheid.

Waar niets meer betekenis heeft, wordt alles even belangrijk of - wat hetzelfde is - even onbelangrijk. Daarmee verliest al ons streven zijn waarde; en waar alle streven ijdel is, slaat de verveling toe. De verveling is het bijverschijnsel van het besef dat we er maar niet in slagen ons leven te vervullen, met andere woorden: de grote BETEKENIS te vinden. Svendsen betoogt dat het zoeken naar betekenis tot mislukken gedoemd is, en dat daarmee de verveling tot een onoplosbaar probleem wordt, tenminste als we proberen het op te lossen. Hij concludeert dan ook: 'De verveling moet als een onvermijdelijk gegeven aanvaard worden, als de zwaartekracht van het eigen leven.' Wie tegen die zwaartekracht niet bestand is, rest maar uitweg, en die voert rechtreeks naar God. God of de verveling - dat is het alternatief voor de moderne mens.

Meer over