Van dame met plooirok tot streetcornerworker

Het maatschappelijk werk in Nederland viert vanaf vandaag het honderdjarig bestaan. Was de hulpverlening ooit alleen bestemd voor 'asocialen', inmiddels doet één op de vijf Nederlanders er een beroep op....

door Ellen de Visser en Ineke Jungschleger

H ONDERD jaar geleden besloot een groep sociaal betrokken vrouwen tot de oprichting van de Opleiding voor Socialen Arbeid in Amsterdam. De initiatiefnemers, afkomstig uit progressief-liberale kring, wilden de armenzorg moderniseren. De ernstige sociale problemen waar de arbeidersklasse aan het einde van de negentiende eeuw mee te maken kreeg, konden volgens hen niet langer met liefdadigheid worden opgelost. Bevordering van de zelfredzaamheid van de armen moest in de plaats komen van het oude neerbuigende weldoenerswerk van vrouwen uit de gegoede burgerij.

De school was aanvankelijk uitsluitend gericht op meisjes. De vrouwenemancipatie kwam op gang en het maatschappelijk werk was bij uitstek een vak waarin meisjes van goeden huize zich konden bekwamen. Ze kregen les in arbeidswetgeving, hygiëne en staatsinrichting en moesten armen en arbeiders helpen bij problemen met opvoeding of huisvesting.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef het aantal leerlingen bescheiden. In de jaren twintig kwamen er twee nieuwe opleidingsinstituten bij, maar jaarlijks schreven zich niet meer dan veertig meisjes in. Bij veel ouders bestond lange tijd de vrees dat het onderwijs aan de scholen voor maatschappelijk werk hun dochters in de richting van het feminisme of de sociaal-democratie zou drijven.

Geleidelijk aan breidde het werkterrein zich uit. Armenzorg werd maatschappelijke zorg. De reclassering, de kinderbescherming, opbouwwerk, wijkverpleging, hulp aan blinden en invaliden, drankbestrijding: steeds meer vormen van sociale zorg werden opgezet, veelal gefinancierd door de kerken.

Pas in de jaren vijftig steeg het maatschappelijk werk in aanzien. Van een marginaal beroep, dat werd beschouwd als 'hulp aan asocialen' werd het langzamerhand het vanzelfsprekende antwoord op sociale ontwrichting. De heropvoeding van politieke delinquenten, het voorkomen van jeugdcriminaliteit, de opvang van gerepatrieerden: bij elk sociaal probleem werden maatschappelijk werkers geacht een rol te kunnen spelen.

Het besef groeide dat de Staat verantwoordelijk was voor maatschappelijke kwesties. In 1952 werd het ministerie voor Maatschappelijk Werk ingesteld, waar in 1956 Marga Klompé de eerste vrouwelijke minister werd. Gemeenten en Rijk namen de financiering van de kerken over.

De politieke erkenning ging samen met een snelle professionalisering van het vak. Maatschappelijk werkers kwamen in contact met de Amerikaanse beroepspraktijk die was gebaseerd op het zogeheten social case work. De methode ging uit van de vrijheid van de cliënt en de vertrouwensrelatie met de hulpverlener; leren luisteren was het allerbelangrijkste. De principes werden al snel in Nederland geïntroduceerd.

Het imago van het maatschappelijk werk veranderde daardoor. Na de vrouwen met plooirokken en parelkettingen die de sociaal zwakkeren bevoogdend toespraken, ontstond een nieuwe beroepsgroep van 'geitenwollensokkentypes' die in buurthuizen rondhangende jongeren zinvol probeerden bezig te houden.

De kritiek op de softe sector groeide toen het idee ontstond dat onmaatschappelijk gedrag niet zozeer aan het individu ligt, maar veel meer aan zijn situatie.

Honderd jaar na de eerste radicale hervormingspogingen heeft de oorspronkelijke school zich vertakt tot negentien opleidingen waaraan achtduizend jongeren studeren. De vijftienduizend maatschappelijk werkers die momenteel in Nederland werken, houden zich nog altijd bezig met de kwetsbare groepen in de samenleving: van human resource management en stervensbegeleiding tot hulpverlening bij schulden. De afgelopen drie jaar heeft een op de vijf Nederlanders contact gehad met het maatschappelijk werk.

De viering van het honderdjarig bestaan van het maatschappelijk werk vangt woensdag aan met een symposium in Amsterdam. Tot december vinden in het hele land jubileumevenementen plaats. Volgende maand draaien in vier steden speelfilms waarin het maatschappelijk werk een rol speelt. Begin december vindt een slotcongres plaats.

M. Mossel-Taselaar (82), oud-maatschappelijk werkster:

'IK BEN altijd geboeid geweest door mensen. Waarom doen ze de dingen die ze doen, dat interesseert me in hoge mate. Daarom ben ik in 1935 met de opleiding maatschappelijk werk begonnen in Amsterdam. Het werk lag niet voor het oprapen. Bij de diploma-uitreiking liet de directeur ons weten dat er een aantal stageplaatsen waren, maar die moesten wel worden betaald. Daar paste ik voor. Ik ben zelf gaan solliciteren en kwam in De Zeemeeuw terecht, een clubhuis voor fabrieksmeisjes. Dat was geweldig zwaar werk, het waren de wildste meiden die ik ooit heb meegemaakt. Het was geen baan voor mij, ik kwam niet boven ze uit, zo gilden ze. Daarom ben ik na drie maanden weggegaan om bij de hulp voor onbehuisden in Amsterdam te gaan werken.

In 1941 kwam ik bij het Instituut voor Medische Psychologie terecht, de voorloper van de Riagg, waar mensen die door de oorlog psychische problemen hadden opgelopen, begeleid werden. Een jaar later kon ik een baan krijgen bij Pro Juventute in Amsterdam, de latere kinderbescherming. Daar voelde ik me op mijn plek.

Ambtenaren van de kinderwetten werden we genoemd. We moesten kinderen die met de kinderrechter in aanraking waren geweest, onderzoeken en adviseren wat er met hen moest gebeuren. Ik heb dat werk ruim 25 jaar gedaan. Daarna ben ik directrice geworden van de stichting therapeutische gezinsverpleging, waar ik pleegouders selecteerde en begeleidde.

In de loop der jaren heb ik het vak zien veranderen. Toen ik begon, heerste er een sfeer van dienstverlening: we moesten zielige mensen helpen en dat gebeurde voornamelijk op materieel gebied, met voedsel. De opvatting was: als kinderen stelen, dan hebben ze honger.

In de jaren vijftig vond er een omslag plaats. De oorzaak van afwijkend gedrag werd belangrijk. De opvattingen veranderden: kinderen stelen niet omdat ze geen eten hebben, maar om duizend andere redenen, vooral omdat ze verwaarloosd worden. Maatschappelijk werkers bezochten ouders om te ontdekken hoe het zo ver had kunnen komen.

De problematiek is de afgelopen decennia weliswaar veranderd, maar de oorzaken zijn volgens mij hetzelfde gebleven. Die agressie van nu is best te verklaren: de eerste levensjaren zijn cruciaal, als kinderen dan worden verwaarloosd, komt het later niet snel meer goed.

Soms maak ik me zorgen over de toekomst van het maatschappelijk werk. Al die fusies en die vergaderingen, de bureaucratie zou weleens de doodsteek van het vak kunnen worden. Het lijkt alsof er te weinig tijd over is gebleven voor het directe werk.'

Mozes Ringringgoeloe (38), veldwerker bij de Stichting Streetcornerwork in het centrum van Amsterdam:

'I K put uit ervaring. Als ik het over mocht doen, zou ik het niet anders doen. Vanuit wat ik heb meegemaakt, heb ik voor dit werk gekozen. Ik ben uit de verslaving gekomen, ik weet dat het kan en die ervaring wil ik niet alleen voor mezelf houden. Het voelt als een roeping.

De jongens zeggen: ''Dit is mijn maatschappelijk werker.'' Hun uitkering komt binnen op onze rekening. De vaste lasten worden betaald: wonen, ziekenfonds, vaak ook schuldsanering. Van wat dan over is, krijgen ze twee keer per week een vast bedrag.

De meesten zitten in de straatprostitutie als ik ze leer kennen. Zodra de basale zaken geregeld zijn, een vast inkomen door de uitkering en een dak boven hun hoofd, zie je ze uit de prostitutie gaan. Vaak zijn ze de hulpverlening moe. Ze kennen alle instanties, hebben allemaal een carrière achter de rug.

Onze kracht is dat we vaak op straat zijn. Ik investeer in ze, soms jaren. Ik praat over alles waar ze zin in hebben. Je bent geen genode gast, dat is belangrijk om te weten. Als ze niet willen praten, don't do that. Je moet vertrouwen kweken. Ze zover krijgen dat ze naar jou toe komen als ze in de problemen zitten.

Ik ken ongeveer driehonderd gebruikers in het centrum van Amsterdam. Je moet mensen eruit zien te weken. Ik richt me drie, vier maanden op iemand. Lukt het niet, dan ga ik investeren in een ander. Je veldwerk moet je zelf organiseren. Verder heb je vaste tijden op kantoor, om te beginnen twee keer per week, om cliënten uit te betalen.

Wij zijn tussenpersoon. Instanties moeten acccepteren dat er mensen zijn die zo leven. Wij helpen ze veilig te gebruiken en proberen tegelijkertijd voor de instanties inzichtelijk te maken hoe er gebruikt wordt, door hoeveel mensen en in welke groepen. De leiders zijn de dealers. Ik praat met hen over aidspreventie. In Deventer bracht ik boxen met schone spuiten. De oude spuiten werden verzameld in de box en als die vol was, kregen ze van mij een nieuwe.

Ik ben uit Deventer weggegaan omdat ik daar iedere keer herinnerd werd aan de tijd dat ik nog aan de heroïne was. ''Hé, Mozes, je weet toch dat we daar en daar samen hebben vastgezeten?'' Ik ben geboren in Ommen, in het kamp waar toen de Molukkers waren ondergebracht, en opgegroeid in Overijssel. Vanaf mijn 13de was ik in contact met justitie. Uithuisplaatsing, tuchtschool en daarna een internaat, in Hoenderloo. Daar kwam ik in aanraking met heroïne, op mijn 15de. Heel Nederland ben ik rondgeweest, in internaten en jeugdgevangenissen.

Op mijn 27ste ben ik afgekickt. Zonder methadon, gewoon van de ene dag op de andere opgehouden. Ik heb het gered door in drieploegendienst te werken, in een metaalfabriek, en veel te sporten. Vijf weken ben ik ziek geweest, toen was het over.

Een jaar later ben ik in dit werk gegaan, gestimuleerd door Harry Kok, die toen de leiding had van de drugspreventie in Deventer. Hij heeft me naar school gestuurd. Ik heb het mbo-diploma gehaald en ben nu met hbo bezig. Roeping is belangrijk, maar scholing ook. Je moet leren structuur aan te brengen in het werk.

Hoe graag ik ook in Deventer had willen blijven, ik had de stap naar een andere omgeving nodig om me verder te kunnen ontwikkelen. Nu kom ik binnen als Mozes, de maatschappelijk werker. Of ik de klanten iets over mijn eigen verleden vertel, bepaal ik zelf. Het moet functioneel zijn.'

Meer over