Van Dam blijft straatvechter

ALS het rapport van de commissie-Ververs er volgende maand ligt, zal het door staatssecretaris Nuis aangekondigde 'maatschappelijk debat' over de toekomst van de publieke omroep beginnen....

ANDRIES OVERSTE

Kennelijk is dit aan Marcel van Dam niet besteed. Hoewel hij zich de laatste jaren in interviews voortdurend manifesteert als de man die zich uit het Hilversumse gewoel terugtrekt en in zijn achtertuin op de Veluwe zit te mijmeren over de toekomst van het heelal, blijkt uit zijn column van 11 april dat hij zich nog steeds niet aan het niveau van straatvechter heeft onttrokken.

Omdat Van Dam kennelijk onvoldoende argumenten heeft om de inhoud van het interview met mij (de Volkskrant, 9 april) te lijf te gaan, probeert hij de tegenpartij eerst met diens bemoeienis met TV 10 te vloeren. Ligt deze eenmaal voor de lezer als een ongelooflijke domkop op de grond, dan is het makkelijker om daarna het eigenlijke onderwerp aan te snijden.

De verwijzing naar TV 10 zou ik een gotspe willen noemen. De bestuurders van de publieke omroep dachten in 1989 dat de politiek nog steeds een hek om Hilversum kon zetten om de commerciële zenders tegen te houden. In 1980 was dat immers ook gelukt toen Dake het franstalige RTL Zeeuws-Vlaanderen wilde binnensluizen. In de kabelnota van de toenmalige minister Gardeniers werd dit verboden.

In plaats van de jaren tachtig te gebruiken om zich voor te bereiden op een veranderend medialandschap en vooral om buiten het eigen hek te kijken, bleef men bezig met het traditionele navelstaren.

Als men, zoals ik zelf deed, in die periode in Europa had rondgekeken, had men in '89 niet verrast hoeven te zijn door de komst van commerciële tv. Men had er dan niet met procedures, maar met beleid op gereageerd. Een oud-bestuurder van de publieke omroep als Van Dam zou de laatste moeten zijn die iemand nawijst die de ontwikkelingen wèl in reëel perspectief zag.

Welke argumenten heeft Marcel van Dam nog meer in huis?

Mijn uitgangspunt is dat het primaat in onze samenleving bij de marktsector ligt. Tegelijkertijd dient de overheid te formuleren welk aanbod aan toneel, muziek, musea, pers, omroep, film en dergelijke men in een pluriforme democratische samenleving van belang acht. Constateert men vervolgens een discrepantie tussen het gewenste aanbod en datgene wat de marktsector levert, dan kan de overheid met gemeenschapsmiddelen tussenbeide komen.

Is deze visie zo bijzonder? Nee. In de nota Uitgangspunten cultuurbeleid van staatssecretaris Nuis heet het dat interventies door de overheid noodzakelijk zijn omdat 'overgelaten aan het vrije spel van de markt, verschillende vitale onderdelen van onze cultuur onvoldoende aan bod komen. Ook moet worden voorkomen dat cultuuraanbod wordt gesubsidieerd, waarin minstens zo goed via de markt zou kunnen worden voorzien.'

Ook het beleidsplan 1997-2000 van het Nederlands Fonds voor de Film geeft aan dat zodra de markt de produktie van bepaalde soorten films zelfstandig kan vervullen het fonds, waarin de NOS op het allerhoogste niveau is vertegenwoordigd, zich terugtrekt.

Ten slotte begint de visie dat de kracht van de publieke omroep in de toekomst niet in concurrentie met de commerciële omroep is gelegen, ook binnen de omroep terrein te winnen. De discussie over de extra sportprogramma's bij de NOS, waarvoor de individuele zendgemachtigden financieel moeten opdraaien, waardoor deze mindere informatieve - culturele - kinder- of dramaprodukties kunnen maken, vormt hiervoor een duidelijk bewijs.

Niet de visie dat de marktsector en de publieke sector aanvullend zijn is 'op termijn dodelijk voor de publieke omroep', maar Van Dams concurrentiemodel voor de publieke omroep. Deze haalt immers op termijn de legitimiteit onder de omroepbijdrage weg.

Volgens Van Dam werkt de toename van het aantal commerciële zenders 'verarmend en vervuilend', en is er sprake van 'een onthutsende verloedering in de electronische media in de hele wereld.' Kennelijk bestaat er bij hem een diepe minachting voor die miljoenen Nederlanders die elke avond naar de commerciële zenders kijken.

Ik zou beweren dat de kijkcijfers er voor de publieke omroep niet toe doen. Het tegendeel is waar. Ik zeg in het interview dat de publieke omroep in mijn model een marktaandeel van 20 à 25 procent moet kunnen behouden.

Overal bewijzen in onze samenleving instellingen, commercieel of publiek, met een hoogwaardig produkt een substantieel marktaandeel te kunnen opbouwen, zonder de concurrentie met het massaprodukt te hoeven aangaan. Dat geldt voor de Volkskrant en NRC Handelsblad, voor de Nederlandse Opera en het Concertgebouworkest, voor de Vermeertentoonstelling en het toneel.

Kennelijk bestaat er bij Van Dam een diep ongeloof in de kracht van het medium tv om met een hoogwaardig produkt een substantieel marktaandeel te verwerven.

Ten slotte de financiële middelen waarover de publieke omroep beschikt voor het maken van tv-programma's. Van Dam noemt mij in dat verband óf een stuk onbenul óf een 'bedrieger'. Volgens Van Dam beschikt de publieke omroep voor het maken van tv-programma's over 1,2 miljard minus 600 miljoen gulden, dus 600 miljoen gulden. In zulke situaties is er één instantie die het echte antwoord weet: het Commissariaat voor de Media.

Voor 1996 heeft de publieke omroep uitsluitend voor het maken van tv-programma's 900 à 925 miljoen gulden beschikbaar. Dat is dus 50 procent meer dan Van Dam suggereert. En dan zijn de eigen verenigingsmiddelen van de zendgemachtigden nog buiten beschouwing gelaten.

Andries Overste

De auteur is voorzitter van de branchevereniging van onafhankelijke tv-producenten.

Meer over