Van Brussel word je gek

Werkend als onderzoeker in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië heb ik gezien hoeveel meerwaarde kan ontstaan door het clusteren van talent in excellente instituten....

Helaas zijn de ervaringen met financieren van onderzoek door de Europese Unie rampzalig slecht. Eerder deze week was ik in Londen, waar ik in het bestuur zit van een non-profitfonds dat een voor Nederlandse begrippen gigantisch budget besteedt aan Brits biomedisch onderzoek. Men besprak de mogelijkheid geld ook elders in Europa in te zetten. Over één ding was men het echter eens: voorwaarde is dat we ver van de EU-organisatie blijven, want van Brussel word je gek. Ik kan dat begrijpen. Hier een recent voorbeeld uit mijn werk.

De Europese Unie financiert onderzoek. De keuze wat wordt gefinancierd, is irrationeel. Je moet eerst via eindeloos vergaderen bereiken dat jouw thema op een lijstje prioriteiten komt, en dan samen met een netwerk van andere Europese onderzoekers een voorstel indienen dat daarin past, en dan is er een vorm van selectie die weinig transparant is, waarbij de kans dat je het geld krijgt losstaat van de kwaliteit van je onderzoek. (Ik heb programma’s wél gekregen die ik matig vond, en mijn laatste voorstel samen met een Duitse Nobelprijswinnares en een Engelsman, die het jaar erna de Nobelprijs won, haalde het niet.)

Als het toegekend is, begint de ellende pas. Dan moet iemand naar Brussel voor contractonderhandelingen. Daarin gaat een Brusselse ambtenaar met een onderzoeker (in het programma waarover ik nu praat is de coördinator een Britse collega) dagenlang in discussie over details van het plan. En nu ligt dat plan op mijn bureau. Het is mallotig.

Laat ik erbij zeggen dat mijn onderzoeksgroep uiteindelijk uit dit programma geld krijgt voor één postdoctorale onderzoeker voor drie jaar. Dat is niet veel, want er dienen zich regelmatig postdocs bij me aan die hun eigen geld meenemen; getalenteerde onderzoekers in binnen- en buitenland kunnen fellowships aanvragen op basis van hun eigen prestaties. De procedure is simpel: je stuurt (naar de regering in je land van herkomst, of naar internationale niet-EU-financiers, waarvan er verschillende zijn) je cv plus een A4tje met je plannen, dan krijg je als je goed bent je geld. Een groot contrast met het eindeloze gezeur bij de Europese Unie.

Het plan dat voor me ligt, is een dik pak papier, ik citeer er twee onderwerpen uit. Het vergadercircuit. Er zijn tien pagina’s met decision making and advisory bodies, allemaal dus voor dit project. Er is een steering group (vergadert twee keer per jaar, ben ik lid van), een partnership board (vergadert een maal per jaar, ben ik lid van), een workpackage committee (ik zit er in vier, vergadert ad hoc), eenScientific Advisory Board (een maal per jaar) en een Technology Transfer Panel (een maal per jaar). Dit alles dus voor die ene postdoc-plaats die mijn onderzoek eraan overhoudt.

Stel dat die postdoc een artikel wil schrijven, dan moeten we volgens artikel 9.2 als volgt handelen: ik moet schriftelijk toestemming vragen aan alle zestien andere groepen in het programma, en aan de Europese Commissie, 35 dagen voor publicatie. Ieder van de anderen kan beslissen dat plan te accepteren, te vragen om wijziging, of uitstel in verband met het beschermen van kennis.

Ik heb er geen trek meer an. Mijn Britse collega’s hebben gelijk. Het heeft geen zin je tijd te stoppen in de Europese Unie. Dit circuit selecteert op mensen die zo radeloos zijn dat ze alles doen om maar een centje voor hun onderzoek te krijgen. Het systeem selecteert daarmee tegen kwaliteit. De transactiekosten zijn, als je meetelt hoeveel werk bij al die zestien groepen plus de coördinator erin is gaan zitten (wat niemand doet, onze tijd is gratis),hoger dan het budget van die zestien postdocs waarover het gaat.

Nu terugtrekken zou asociaal zijn ten opzichte van anderen, vooral onze coördinator die er veel tijd heeft ingestopt. Dus ik schrijf er maar een boos stukje over, verbijt me, en vraag me af of de rest van de Europese Unie anders werkt.

Meer over