Analyse

Van bodemloze put naar instrument tot zelfbehoud: Rutte IV kijkt met nieuwe blik naar de Europese Unie

Het regeerakkoord van Rutte IV is opvallend positief en activistisch getoonzet over de Europese Unie. Helpen geopolitieke dreigingen Den Haag van de euroscepsis af?

Arnout Brouwers
Mark Rutte tijdens een EU-top in Brussel eind mei. Beeld Reuters
Mark Rutte tijdens een EU-top in Brussel eind mei.Beeld Reuters

De EU-vlag wappert nog niet in de Tweede Kamer en is ook nog weinig in het torentje van premier Rutte gesignaleerd, maar na lezing van het regeerakkoord van Rutte IV lijkt dat nog slechts een kwestie van tijd. Want als in een gletsjer die de strijd tegen de klimaatverandering moet opgeven, is in het politieke midden de afgelopen jaren de euroscepsis langzaam gaan smelten.

En ziedaar: in het nieuwe regeerakkoord is zelfs sprake van een positieve grondhouding. Het grootscheepse debat in EU-lidstaten over hoe de toekomstige Unie er uit moet zien (dat onder meer komende maand wordt besproken op de ‘burgertop van Maastricht’) hoefde van het vorige kabinet liefst niet te leiden tot gedragsveranderingen. Maar het nieuwe kabinet staat er voor open.

Sterker nog, Nederland wil zelfs de rol van het Europees Parlement versterken door het de mogelijkheid te geven individuele Eurocommissarissen naar huis te sturen. En blijkbaar gruwelt Rutte niet langer van het spitzenkandidatensysteem, waarbij Europese burgers (in plaats van regeringsleiders) de voorzitter van de Commissie kunnen kiezen.

‘Markante verschillen’

Monika Sie Dhian Ho, directeur van Instituut Clingendael, ziet een ‘ander narratief’, een ‘activistischer grondhouding’ en enkele ‘markante verschillen’ in de beleidsdoelen. ‘De EU wordt meer gepresenteerd als samenwerkingsverband om greep te kunnen houden op onze manier van leven, in relatie tot landen als China en Rusland. Het accent ligt minder op Nederlandse belangen afgezet tegen spilzieke Italianen en wetsovertredende Polen.’

Opvallend vindt Sie Dhian Ho dat in het regeerakkoord wordt geflirt met een Europese Veiligheidsraad (waarin de Britten wel aan tafel zitten, maar kleine landen niet) en met ‘slimme industriepolitiek’. Beide noemt ze ‘grote stappen’. En dan zijn er nog de structurele verhoging van het defensiebudget (met 3 miljard) en ontwikkelingssamenwerking (500 miljoen). ‘Er wordt gekozen voor investeringen in de veiligheid en stabiliteit in Europa en zijn omgeving.’

Waar in vergelijking met het vorige kabinet minimaal sprake is van een accentverschuiving, wordt de grotere draai zichtbaar als je de band nog verder terugspoelt. Na het EU-referendum in 2005, waarin Nederland een Europese grondwet afwees, werd euroscepsis leidend, ook in het politieke midden. Pas onder dwang van geopolitieke veranderingen en de Brexit kwam deze grondhouding de afgelopen jaren onder druk.

Zo vonden VVD en CDA het in het eerste kabinet-Rutte (met gedoogsteun van de PVV) nodig – verwijzend naar de ligging van ons land op de kaart – uit te leggen waarom Nederland überhaupt betrokken bleef bij de EU. Argwaan en minimalisme waren troef: geen ‘onbeperkte’ uitbreiding van de EU, geen ‘ongehinderde’ toename van Europese uitgaven, de Unie moest zich ‘beperken tot kerntaken’ en subsidiariteit, het beginsel om besluiten als het maar enigszins kan op nationaal niveau te nemen, was een ‘cruciaal uitgangspunt’.

Vooral de rechtse oppositie hamerde tijdens de eurocrisis voortdurend op de EU als bedreiging – een doorgeefluik van ongewenste migranten en een bodemloze put voor Nederlands belastinggeld. Maar met de terugkeer van rauwe machtspolitiek en de proliferatie van conflicten in en om Europa kwam er ruimte om het beeld weer te laten kantelen.

Handje drukken

Centrum-rechtse partijen als VVD en CDA dromen niet meer over een federaal Europa, maar hebben de EU ontdekt als noodzakelijk instrument om vrij en welvarend te blijven. Een Unie die meer is dan alleen een interne markt, maar ook een van de weinige middelen – ondanks alle interne verdeeldheid en beperkingen – om sterker te staan tegen het handje drukken van sterke autocratische landen.

Ook in peilingen wordt die rol van de EU erkend, waardoor het Europadebat niet langer een competitie in euroscepsis hoeft te zijn tussen populisten en centristen. De laatsten durven het ‘gekke henkie’-sentiment nu eindelijk terug te kaatsen: denkt u nu echt dat u buiten de EU uw welvaart en veiligheid wél kunt garanderen? Insiders zeggen trouwens dat Rutte zelf die draai al veel eerder maakte – na de vluchtelingencrisis van 2015 – maar in de Tweede Kamer hebben vooral VVD en CDA de zure Europese ondertoon veel recenter overboord gegooid.

Niet liefde voor de EU, maar realisme lijkt daarbij leidraad. Via de EU kan Nederland zijn belangen behartigen. Aan een actieve houding heb je dan meer dan aan mokken langs de zijlijn. De wereld verandert, maar de dynamiek binnen de EU ook. De Nederlandse opstelling tijdens de debatten over het coronaherstelfonds (Rutte sprak zich uit tegen giften, maar moest er uiteindelijk toch mee instemmen) was ook leerzaam. Met een nog activistischer nieuwe regering in Berlijn moet Nederland ook wel een beetje draaien.

Sie Dhian Ho waarschuwt voor al te drieste conclusies. Deels is de Europa-paragraaf ook een kwestie van presentatie, een geste aan D66. ‘De rode lijnen van de VVD, zoals geen transferunie en geen nieuwe eurobonds (gezamenlijk schuldpapier, red.), worden niet genoemd.’ Maar dat wil allerminst zeggen dat ze niet meer bestaan.

Wat helpt, zegt Sie Dhian Ho, is dat de EU dit keer ‘gelukkig’ niet kiest voor de oplossing uit de eurocrisis: snoeihard bezuinigen. ‘Om die reden staat begrotingsdiscipline ook bij Nederland even op de back burner.’ Bij internationale media leeft de hoop op minder Haagse ‘vrekkigheid’. Voor zulke conclusies is het te vroeg, maar de toon is in elk geval wel veranderd.

Meer over