Valbijl in Oxford

Is het al een wekelijks terugkerend genoegen de rubriek met ingezonden brieven te lezen van de Times Literary Supplement (TLS), sinds eind november ontwikkelt zich daarin een feuilleton dat maakt dat je iedere maandag zelfs wel wilt gaan posten bij de brievenbus in afwachting van het nieuwe nummer....

Het onderwerp is de poëzie, meer in het bijzonder: de beslissing van Oxford University Press om voortaan geen contemporaine dichters meer uit te geven.

Ach, Oxford University Press: het is nog niet eens zo lang geleden dat je in hun lijst nog boeken kon tegenkomen die eind achttiende eeuw gedrukt en uitgegeven waren en die, als je ze bestelde, uit voorraad leverbaar bleken. In de jubileumboeken die twintig jaar geleden, bij het vijfhonderdjarig bestaan van de uitgeverij, verschenen, buitelen de auteurs over elkaar heen als het gaat om het vertellen van sterke verhalen over de onwereldse wijze waarop de uitgeverij zich al die honderden jaren heeft gewijd aan het maken van belangrijke en mooie boeken, om het even of daar iemand op zat te wachten of niet.

In de eerste helft van deze eeuw, toen in het Britse Rijk de zon de klok rond scheen, besloeg het uitgevers-impressum op de keerzijde van het titelblad een halve bladzijde: 'Oxford University Press, Oxford, London, Glasgow, New York, Toronto, Melbourne, Wellington, Ibadan, Nairobi, Dar Es Salaam, Lusaka, Cape Town, Kuala Lumpur', en zo door tot en met 'Delhi, Bombay, Calcutta, Madras, Karachi'. Ze gaven er onwaarschijnlijk exotische boeken uit, die geleerdheid verspreidden die vermoedelijk niet eens door anderen dan de auteur ervan genoten kon worden. Ze zorgden er consciëntieus voor de klassieken - die gemakshalve meteen maar 'the world's classics' heetten.

En ze pasten er op de poëzie. Op de klassieke dichters van de Engelse literatuur, in mooie lederen banden - rijstpapier, dundruk: handig voor al die in dekstoelen heen en weer reizende dienaren van het Empire - en op de nieuwe talenten. Ze waren overigens beide een betrekkelijke noviteit in het fonds; in de vorige eeuw is nog druk vergaderd over de vraag of zulke obscene rijmelaars als Marlowe en Shakespeare wel in het fonds thuishoorden.

Maar nu is het uit: de beste dichter is voortaan ook voor Oxford University Press een dode dichter. De veertig nog levende dichters van Oxford University Press - onder wie de grote schrijvers D.J. Enright, Sean O'Brien, Peter Porter en Craig Raine - kregen een brief waarin werd meegedeeld dat er 'tough conditions in some of our many markets' waren en dat de uitgeverij daardoor het helaas 'increasingly difficult' vond de verdiende aandacht te geven aan sommige specialismen.

Dat hebben ze geweten, daar in Oxford. Niet alleen schreef Auberon Waugh in zijn vaste openingscolumn 'from the pulpit' in zijn Literary Review een even giftige als geestige column over deze beslissing, in de veel serieuzere TLS tekende een indrukwekkende reeks schrijvers, geleerden en andere culturele hoogwaardigheidsbekleders een protestbrief die de schrijfster en Virginia Woolf-biografe Hermione Lee aan de regenten van de uitgeverij schreef.

Het gevolg daarvan was en is een onophoudelijke reeks adhesie-betuigingen voor degenen die waarschuwen tegen deze culturele achteloosheid, maar ook een feuilleton van brieven van auteurs die nog meer klachten hebben over Oxford University Press. 'This is not the Press's only cultural crime', schreef Anthony Storr, die aan de kaak stelde dat de uitgeverij inmiddels ook het muziekfonds beëindigde. En historicus Keith Thomas stelde de onderwijsuitgaven ter discussie. Het gevallen dominosteentje van de poëzie begint gevaarlijk veel kracht uit te oefenen op de zuilen die eromheen staan.

Meer over