Vaker vallen dan opstaan

Marinus van der Lubbe stak 75 jaar geleden de Rijksdag in Berlijn in brand. Daarover zijn zo veel theorieën ontvouwd, dat niemand meer weet wie Van der Lubbe nu eigenlijk was....

Bart Jungmann

Dempsey noemden ze hem, naar de Amerikaanse bokser Jack Dempsey, die bekend stond om zijn genadeloos harde klappen. Marinus van der Lubbe was ook zo’n zwaargewicht, maar alleen agressief als het gezag hem tartte. Hij was een linkse rebel en misschien ook wel de kunstenaar die zijn biograaf Martin Schouten vooral in hem ziet.

Een brief aan de ‘waarde kameraden’ in Leiden, geschreven in april 1933 vanuit de Berlijnse gevangenis, sluit Van der Lubbe af met een gedicht dat raakt aan de onmogelijkheid van zijn leven en eindigt met een oproep: ‘Alles is schoon, en strijdt daarvoor. In alles en met alles.’

Als documentairemaker Joost Seelen de door hem geportretteerde figuur moet schetsen, valt het woord ‘tragisch’ al snel. De geschiedenis heeft het zicht op Marinus van der Lubbe ontnomen: een obscure man die zich opeens op het wereldtoneel vertoonde, en over dat eenmalige optreden zijn zo veel theorieën ontvouwd dat niemand meer weet wie of hoe hij was.

‘Het is net als met dat concert van de Stones in Kurhaus, zo legendarisch dat iedereen erbij was geweest. In het geval van Rinus beweert iedereen hem gekend te hebben en iedereen beweert te weten waarom hij het deed.’

‘Het was heel Rinus niet.’

‘Jongen, met je wankel hoofd, aan den beul vooruit beloofd’, dichtte Willem Elsschot in 1934, het jaar waarin de nazi’s Marinus van der Lubbe een kopje kleiner maakten. Van der Lubbe had een jaar eerder de Rijksdag, het Duitse parlementsgebouw in Berlijn, in brand gestoken en daarmee Adolf Hitler, toen nog de premier van een coalitiekabinet, de kans gegeven zijn terreurbewind te vestigen.

Zoals door Elsschot beschreven, onderging Van der Lubbe het proces. Het hoofd hing voorover geknakt, alsof de guillotine al half werk had verricht. Snot druppelde gestaag uit zijn neus. ‘Onze landgenoot is het toonbeeld van imbeciliteit’, schreef de Leidse Courant in een verslag van de rechtszitting.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog is nog vaak vonnis gewezen in deze zaak. De communistische samenzwering die de nazi’s erin weefden, maakte plaats voor een nationaal-socialistisch complot als opzetje om Hitler in het zadel te helpen. En dan is er natuurlijk de Alleintaterthese, waarin Van der Lubbe de enige dader was die hij zo graag wilde zijn. De laatste uitspraak dateert van nog maar een maand geleden, toen het Bundesgerichtshof in Karlsruhe het doodvonnis van 1934 vernietigde. Voor brandstichting had Van der Lubbe nooit de doodstraf mogen krijgen.

Aanvankelijk meende Schouten dat hij daarmee ook alle eer van de brand kreeg, maar zo verstrekkend blijkt het vonnis bij nader inzien niet. Het trekt slechts een streep door de speciale wetgeving van toen. Maar waarom zat Van der Lubbe er destijds zo apathisch bij in de rechtszaal en heeft hij de eer niet opgeëist?

‘Hij was vermoedelijk murw geslagen. Hij had zijn verhaal al zo vaak verteld tegen de politie, en het werd niet geloofd. Hij had het opgegeven. De Rijksdagbrand was voor hem een signaal, bedoeld om de Duitse arbeidersklasse in opstand te laten komen. Maar het was juist de aanzet tot onderdrukking. Zijn daad had een averechtse werking.’

’Hij wilde de wereld verbeteren, maar hij had geen geduld.’

Nog tot in de jaren tachtig kleefde aan Marinus van der Lubbe dat beeld van de apathische sufferd die zich voor het karretje van de nazi’s liet spannen. Zo vingen zijn oude kameraden in Leiden aanvankelijk bot bij hun pogingen een nieuwbouwhofje naar hem te vernoemen. De plaatselijke straatnaamcommissie kon niet bedenken wat Van der Lubbe voor zijn geboortestad had betekend. Van hogerhand (Leiden had een links college) werd ingegrepen en sindsdien wordt hij op verschillende plekken herinnerd als de beroemdste Leidenaar na Rembrandt van Rijn. Als het komende woensdag 75 jaar geleden is dat hij zijn (mis)daad pleegde, worden nieuwe plaquettes onthuld.

’Hij eiste zijn plaats op in de samenleving. Dat waren de gezeten burgers niet gewend.’

Bij zijn onthulling zakte het straatnaambordje van het Marinus van der Lubbehofje meteen scheef. Dat mag symbolisch heten voor het leven van de geëerde. Het was vaker vallen dan opstaan.

Marinus van der Lubbe werd in 1909 geboren in de Morsstraat; een kunstwerk vlak bij zijn geboortehuis herinnert daaraan. Voortgedreven door huurschulden trok het gezin door de sloppenwijken van Leiden en later die van Brabant, op zoek naar een beter leven, eindigend in de scheiding van zijn ouders. Rinus was de jongste en na het overlijden van zijn moeder werd hij op 12-jarige leeftijd ondergebracht in het gezin van zijn oudste zuster in de Leidse buurgemeente Oegstgeest. Van een speels kind veranderde hij in een teruggetrokken puber die in grote drift ontstak als ze op school grappen maakten over zijn kapotte klompen.

Na school werd Van der Lubbe metselaar, maar bij een ongeluk op de bouwplaats verloor hij een deel van zijn gezichtsvermogen. Halfblind was hij niet meer in staat tot behoorlijk metselwerk en de rest van zijn leven zou de toen nog minderjarige Van der Lubbe veroordeeld zijn tot een invaliditeitsuitkering. Armoede en frustratie dreven hem in de armen van het communisme. Zijn zwager zette Van der Lubbe het huis uit en hij ging, 18 jaar oud, op zichzelf wonen in Leiden.

’Hij begon van alles te lezen, van de politiek, dat de mensen niet armer zouden worden.’

Leiden was in de jaren twintig een verpauperde industriestad die vooral laaggeschoold werk bood. Eeuwen eerder waren de stedelingen voor hun heldhaftig gedrag tijdens het Spaans beleg beloond met een universiteit. In een tijdperk waarin het oproer kraaide, kwamen die twee verschillende werelden op een wonderlijke manier samen. De sociaal-democratie had nooit volledig vat gekregen op de arbeidersklasse in Leiden. De radicalere varianten van het socialisme, beleden in universitaire studeerkamers, sloegen wel aan.

Hongerig naar links-theoretische kennis stortte de ongeletterde Marinus van der Lubbe zich in de debatten, zoals gevoerd in de kamer van student Piet van Albarda aan Uiterstegracht 56. De goedmoedige hospita van Van Albarda voorzag hem bij tijd en wijle ook van echt voedsel en in de gevel van het huis is een steen aangebracht waaraan wordt herinnerd aan deze goede werken.

‘Ik heb Marinus van der Lubbe gezien met een optocht in de stad, dat hij met een rode vlag voorop liep. Door de politie werd de vlag eraf getrokken en dan liep hij tien meter verder en dan deed hij zijn bloes open en dan haalde hij weer een rode vlag eruit en dan liep hij weer!’

Van der Lubbe, een idealist van het zuiverste water, groeide uit tot een bekende oproerkraaier in Leiden. In de Bouwelouwensteeg huurde hij een lekkende opslagloods die werd omgedoopt tot Leninhuis. Achterin lag een matras, omringd door teiltjes. Voorin leidde hij naar Russisch voorbeeld een pioniersgroep.

Organisatorisch was Van der Lubbe geen kei. Hij belegde bijeenkomsten met werklozen, maar bereidde niets voor. Hij dacht dat op zo‘n bijeenkomst de verhalen en de klachten vanzelf zouden komen. Zeg het maar, zei hij dan, en dan kwam er niets. Gingen ze maar kaarten.

Hij was op z’n best in actie. Klom in lantaarnpalen om het gepeupel voor de fabriekspoorten tot verzet op te roepen. Hield hele redevoeringen bij demonstraties en stakingen. Ging de politie te lijf. Uit het dossier van de sociale dienst: ‘Besloten om Van der Lubbe te blijven steunen, doch iedere week bij de politie te informeren of hij verzet heeft gepleegd of muit gestookt, en zo ja, dan geen steun te geven.’

‘Ik heb gezien, die jongen was oer- en oersterk, dat de politie hem op een handwagen had gesmeten en dat hij op de handwagen met zijn armen gespreid zo de wielen vasthield. Ze konden hem niet vooruit krijgen!’

Het geïllustreerde weekblad Het Leven had een bedrag van 5.000 gulden uitgeloofd voor de eerste Nederlander die Het Kanaal zou overzwemmen. Dat leek Van der Lubbe, een geoefend zwemmer, wel wat. Hij meldde zich aan en reisde meteen op de fiets naar Calais om de daad bij het woord te voegen in een zwempak met hamer en sikkel erop. Het geld zou natuurlijk de klassenstrijd ten goede komen, want hij was geen man die uit was op persoonlijk gewin.

Hij is nooit in Dover aangekomen. De eerste keer hield de redactie van Het Leven hem tegen, de twee keer stormde het en kon hij niet wachten op rustiger tijden. De hoteleigenaar, die aanvankelijk genoegen nam met enig metselwerk, wilde geld zien en liet hem over de grens zetten toen dat er niet kwam.

’Hij is altijd op zoek geweest naar iets dat hij nooit heeft gevonden.’

‘Een wandelaar’ hebben ze Marinus van der Lubbe genoemd, maar dan in de zin van een reiziger. Hij wilde weten hoe de arbeiders in de Russische heilstaat leefden en vertrok samen met zijn vriend Henk Holwerda voor wat ze een ‘Arbeiders Sport- en Studiereis’ noemden. Nog voor de eerste grens keerde Holwerda op zijn schreden terug. Van der Lubbe reikte tot Berlijn. Nauwelijks terug in Leiden wendde hij de steven alweer richting China.

Van landkaarten en de schalen daarvan had Van der Lubbe geen benul. Als Noord-Brabant en Joegoslavië op dezelfde pagina in de atlas pasten, moesten ze ook even groot zijn. Op zijn voettocht naar China wandelde hij richting zuiden en rekende daarom op steeds beter weer. Aangekomen in Oostenrijk vermeldt zijn dagboek: ‘Ik gaat steeds dwars en over hoge bergen waar de sneeuw voeten dik op licht, waar je dan wel is zelf doorheen moet waden.’

’Nou, ik heb nooit geloofd, hem kennende – ik bedoel: het was geen gemakkelijke jongen – dat hij de Rijksdag in brand heeft gestoken. Geen sprake van!’

In 1933, met Hitler als rijkskanselier, liepen de spanningen in Duitsland steeds hoger op, en Marinus van der Lubbe vertrok naar Berlijn om zijn steentje bij te dragen. Op 18 februari kwam hij aan en ruim een week later was hij alweer onverrichterzake op de weg terug naar Leiden. Maar nee, eerst moest hij een daad stellen. In het boek van Schouten staat hoe hij op 27 februari om half elf vuurmakers kocht en de weg vroeg naar de Rijksdag. Dezelfde avond zou Marinus van der Lubbe wereldnieuws worden.

Zijn Leidse kameraad Simon Harteveld schreef een brief terug naar de gevangenis in Berlijn: ‘Je was een God in de ogen van de proleten. Je weet zelf, kameraad, hoe het kuddedier ‘mens’ in zulke ogenblikken is? Iedereen kende je, je was altijd al een held, enz. In deze roes holde de massa in Leiden rond, dronken van sensatie.’

Meer over