Vakantiedag

Kijk, de Iglesia del Sagrario. Ik loop om de toren heen. Ga op een richel zitten. Staar. Vijf minuten later staat de Iglesia del Sagrario er nog steeds....

Waarom wilde ik hier ook alweer heen?

Het begon bij Patrick, contactpersoon bij een resort aan de Spaanse Costa del Sol, dat ik bezocht voor een reportage. Patrick zei: ‘Pak toch meteen Malaga mee!’ Het leek een goed idee. Op een weekend Barcelona na was ik immers twee jaar niet op vakantie geweest. Dus boekte ik een dag Malaga. Niet zomaar een dag; een vakantiedag.

Het ontbijtbuffet ging nog goed. Van zo’n kluitje Kellogg’s-doosjes in kabouterformaat word ik nog altijd wild namelijk. Maar wat moest ik doen toen alle Choco Pops op waren? ‘Bezoek de Iglesia’, zei de man achter de hotelbalie, ‘dat doen de meeste mensen.’ En zo zit ik nu te doen wat de meeste mensen doen. In mijn eentje, in de regen. En opeens weet ik weer waarom ik twee jaar niet op vakantie geweest ben.

Ik vind vakantie helemaal niet zo leuk.

Ooit had ik een leraar postmodernisme die ‘efficiëntie’ als verwerpelijk metanarratief omschreef: een willekeurige westerse waarde, bedacht door kapitalisten en in stand gehouden door de marketingmensen van multinationals om ons meer sportsokken en Happy Meals te laten kopen. Ik geloofde die leraar meteen. Maar zijn verontwaardiging deelde ik niet. Want nog net iets meer dan van Happy Meals, houd ik van efficiëntie. Ik zou kunnen zeggen: ‘Ik haal graag het optimale uit mijn dag.’ Nog liever zeg ik: ‘Ik sla graag honderdduizend vliegen in één keiharde, welgemikte, efficiënte doodsklap.’ Ja, mijn to do-lijstje is mijn bijbel en efficiëntie mijn religie.

Maar efficiëntie is ook: het tegenovergestelde van vakantie. Op vakantie sla je geen enkele vlieg. Hooguit wuif je een bananenmugje van je longdrinkglas, zittend op een terras. Nu zit ik best graag op een terras. Maar niet langer dan een halve dag. Daarna raak ik onrustig, ga ik twijfelen. Over het nut van mijn longdrinkglas, het terras, de vakantiedag. En met een beetje pech raak ik dan ook maar meteen bevangen door een plotselinge aanval van apathie, ingegeven door een besef van de zinloosheid van het leven in het algemeen, en in het bijzonder: het arbitraire karakter van mijn eigen ademhaling.

Gelukkig bedacht men hier ooit een remedie tegen: bezienswaardigheden. Stenen staven, ijzeren constructies en een heleboel torens, in reisgidsen omschreven als ‘toeristische attracties’. De bijgeleverde routebeschrijvingen zijn niets minder dan missies. Wie een missie heeft, heeft een doel. Wie dat doel bereikt, is voldaan, en wie meerdere doelen bereikt, bijvoorbeeld omdat hij per rode dubbeldekkerbus reist, weet zeker: ik ben efficiënt bezig.

Ik staar weer naar de Iglesia. Mijn missie is volbracht, toch ben ik niet voldaan. Want ik bedenk dat mijn doel een surrogaatdoel was. Ik houd namelijk niet van ijzeren constructies, stenen staven of torens. Dat wist ik natuurlijk wel, maar ik was het even vergeten, verblind door de valse belofte van een nuttige dagbesteding.

Wat nu?

Was ik met z’n tweeën, konden we foto’s van elkaar nemen. Die zouden de mensen thuis vast willen zien. Maar ik ben alleen, dus kan slechts een foto van de Iglesia maken. En een foto van de Iglesia willen de mensen thuis niet zien. Net zomin als de mensen thuis foto’s van willekeurige bergen, bruggen of de luifel willen zien van ‘dat ene leuke tentje waar we die ene avond die ene lekkere meiknolletjes aten’.

‘Och’, hoor ik, want ik zeg het hardop: ‘Och och.’

‘Shall we take picture of you?’ Ik kijk op. Een echtpaar. En ze willen een foto van me nemen. Ik zie hier mogelijkheden. Ik ren naar de Iglesia. De vrouw neemt een foto, haar man stelt precies de vraag waar ik op hoopte: ‘Can you take one of us now?’ Ik knik.

Altruïsme bestaat niet. Gelukkig maar, want een wederdienst is de ultieme vorm van efficiëntie. De vrouw lacht, de man lacht, ik lach. Deze vakantiedag heeft mijn leven toch nog zin gehad.

Meer over