Vaderdier

In de serie Over de helft interviewt Cornald Maas nét-vijftigers over hun vijftigersdilemma's. In aflevering 3: tv- en theaterproducent Erwin van Lambaart, die zijn zoons de volledige vrijheid zal geven om te worden wat ze willen.

DOOR CORNALD MAASILLUSTRATIES ADRIAAN VAN DER PLOEG

'Verschrikkelijk vond ik het, dat ik 40 werd. Veertig jaar lang ben ik omhoog geklommen, dacht ik, en vanaf nu loop ik de trap alleen nog maar af. Ik had het gevoel dat de opbouw achter de rug was en de afbouw zich definitief had aangediend. Mensen begonnen me opeens met 'meneer' en 'u' aan te spreken - en dan voelde ik me bijna beledigd. Ik was van plan om mijn 40ste niet te vieren, maar mijn vrouw Pien bracht me op andere gedachten. Toch herinner ik me nog goed hoe ik er de avond voor de 'grote dag' bij zat: vertwijfeld, bijna futloos, met een blik op de kinderwagen, met daarin onze tweede die net geboren was. Het gekke was: de dag na mijn 40ste moest ik vaststellen dat het allemaal wel meeviel, dat de hemel niet naar beneden was gekomen, dat ik niet opeens heel veel grijze haren had gekregen - de avond voor mijn verjaardag had ik die ene grijze haar er nog met machtsvertoon uitgetrokken.

Toen ik 40 werd, verwachtte ik dat ik een deel van het elan en de energie zou verliezen om de dingen te doen die ik wilde doen. Nu weet ik dat niets minder waar is. Natuurlijk, ik voel wat vaker een pijntje hier of daar, en na een avond doorhalen heb ik daar de dag erop meer last van, maar ik heb dezelfde energie als tien jaar geleden. Intussen kreeg ik meer levenservaring en inzichten. Tussen je 40ste en 50ste kom je erachter wat écht belangrijk is. Ik maak bewustere keuzen nu, en weet beter wat goed voor me is en waar ik gelukkig van word.

Voor mijn 50ste verjaardag nodigde ik alle mensen uit die bijzonder en belangrijk voor me zijn. Ik wilde een informele avond en besloot niet te speechen. Pien zei wel, op mijn verzoek, dat ik hoopte dat er tijdens het feest nieuwe vriendschappen zouden ontstaan. Familie, collega's, vrienden die niks met mijn werk te maken hebben: ik had alles in één gezelschap verenigd. Tien jaar geleden draaide ik veel meer in m'n eigen kringetje rond en zocht ik de omgeving op waar ik toch al in zat.

Van dat laatste is nu amper nog sprake. Ik heb commissariaten in sectoren waar ik weinig van afwist toen ik ermee begon; mijn wereldbeeld is -hoe pathetisch dat ook klinkt - groter geworden. Het motto van Niehe Media, het bedrijf waar ik als mede-eigenaar sinds anderhalf jaar werkzaam ben, is dat we leuke dingen met leuke mensen willen doen waar we vervolgens leuk aan verdienen - in die volgorde. De waarde van succes is voor mij veranderd. Ik ben minder afhankelijk geworden van wat anderen ervan vinden. Natuurlijk vind ik het belangrijk dat mensen achter me staan. Maar de vraag is nu vooral: 'Sta ik achter mezelf?'

Ik was 48 toen ik besloot om bij Stage Entertainment, het bedrijf van Joop van den Ende waar ik veertien jaar voor werkte, te vertrekken. Misschien heb ik 'het is nu of nooit' gedacht - als je ouder bent dan 50 is zo'n move toch minder vanzelfsprekend. In de laatste periode bij Stage was ik belast met de programmering en creatieve ontwikkeling van producties in het buitenland. Ik was amper nog thuis.

Het was uiteindelijk mijn oudste zoon door wie ik me realiseerde dat het hoog tijd werd dat ik me zou afvragen wat ik precies wilde. Hij is nogal introvert en uit zich niet zo makkelijk. Toen we met het gezin tijdens de kerstvakantie in New York waren, zei hij het opeens. Het was tijdens een etentje in een restaurant, terwijl hij een spelletje op zijn iPod zat te spelen, maar intussen behoedzaam een blik op mij wierp: 'Pap, je had beloofd dat je bij Stage vaker op zaterdagochtend op het voetbalveld zou staan. De vaders van mijn maten zijn er wél en jij bent er bijna nooit.' Dat kwam als een mokerslag aan. Ik zei dat ik niet boos op hem was, maar even naar buiten moest. Kort daarna heb ik mijn vertrek bij Stage aangekondigd.

'Hij kiest voor zijn gezin', heette het daarna in de media. Ik was ook niet langer gelukkig met wat ik deed. Ik voelde me vaak eenzaam, tijdens alle buitenlandse reisjes: zat ik weer alleen in m'n eentje in een vliegtuig of taxi, was ik weer ergens twee dagen - van de ontwikkeling van een theaterproductie maakte ik hooguit snapshots mee en dan moest ik weer door. Ik hoorde nergens meer bij, ik miste de -zakelijke - familie. In mijn eerdere jaren bij Stage, toen ik nog directeur was, had ik er altijd zo van genoten: dat ik met het team het hele proces kon meemaken, dat ik de castings en de repetities en try-outs van voorstellingen bijwoonde, en tijdens een première in de coulissen stond te glunderen als acteurs en technici zichzelf overtroffen. En ja, ik genoot ook van het gastheerschap tijdens premières en van de bekendheid die ik opbouwde doordat ik voor ruim twee miljoen kijkers in de jury zat van de talentenjacht Op zoek naar Joseph. Maar bekendheid is nooit het doel geweest.

In die zin heeft het me verbaasd dat Joop in zijn vorig jaar verschenen biografie zegt dat het feit dat ik meer op de voorgrond kwam te staan ten koste ging van het bedrijf. Dat ik indertijd een zichtbaardere rol ging spelen, was een bewuste keuze. En áls het al klopt wat Joop zegt, zou ik dat graag van hem zelf hebben gehoord. Zoals ik het ook wel raar vind dat de schrijver van de biografie nooit met mij heeft gesproken en ik in zijn verhaal amper voorkom.

Ik wil het niet groter maken dan het is en er niet theatraal over doen. Ik heb veel van Joop geleerd. Hij heeft mij, de man die oorspronkelijk niet uit de entertainmentwereld kwam, ongelooflijk veel kansen gegeven. We hebben innig samengewerkt en we hebben vele jaren lief en leed gedeeld. Ik heb een fantastische periode gehad met Joop, en die paar regels in de biografie doen daar niks aan af - en voegen daar voor mij ook niks aan toe. Joop en ik hebben het er, in de periode dat ik in de jury zat van Op zoek naar Evita en Op zoek naar Joseph, wel eens over gehad: dat je als producent wel een BN'er kunt wórden, maar dat je het niet bént. Het moet altijd om de mensen op het toneel gaan - niet om de mensen achter de schermen. Misschien heeft hij dat bedoeld toen hij die opmerking in de biografie maakte. Ik heb het hem nooit gevraagd.

We hebben de laatste tijd weinig contact met elkaar. Toch ging onze productie Baantjer onlangs gewoon in zijn fantastisch gerunde theater, het DeLaMar Theater in Amsterdam, in première. Als een concurrent van Joop zie ik mezelf nog niet: voorlopig zullen wij geen musicals gaan maken - dat zou ik ook niet respectvol vinden tegenover Joop en het bedrijf waar ik met zo veel liefde en plezier heb gewerkt. Maar áls het te zijner tijd gebeurt, zullen die musicals, anders dan die van Stage, vooral kleinschalig zijn. Want, met groot respect voor wat Albert Verlinde op dit moment met uitstekende producties voor elkaar krijgt: Stage is toch het enige bedrijf in Nederland met de grootsheid en grandeur van Broadway.

Sowieso wil ik niet te veel rekening houden met wat een ander doet. En ik wil me onttrekken aan de - misschien wel typisch Nederlandse - eigenschap die zich in deze tijd zo vaak manifesteert: dat we de ander amper iets gunnen. Zolang dat zo is, zal het knap lastig blijven om de huidige impasse te doorbreken en aan de crisis te ontsnappen, is mijn overtuiging. Om voor je eigen mensen en producties te vechten, heb je niet altijd een vijand nodig. Je moet in je eigen kracht geloven - dat drijft mij voort in mijn ondernemerschap.

Mijn vader bracht me indertijd dat soort waarden bij. Hij had een drukkerij. Luister goed naar de ander als je onderhandelt, was zijn devies, sleep er de beste deal uit, maar eis niet het onderste uit de kan, zeker niet als je met iemand een langdurige relatie wilt opbouwen. Niet 'Alles is voor Bassie', zoals Bassie van Adriaan altijd riep, maar: gun de ander ook wat, al moet de liefde dan wel van beide kanten komen.

Mijn vader was een harde werker - op zondagochtend zat hij de offertes voor de komende week uit te werken - en een man van weinig woorden. Deels is dat kenmerkend voor zijn generatie, deels is dat het gevolg van zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft, nadat hij werd verraden vanwege illegale activiteiten, in een concentratiekamp gezeten. Van de honderdvijftig man die op transport waren gezet, keerde hij met slechts een persoon terug. Hij heeft zich daarover lang schuldig gevoeld en heeft er jaren niet over kunnen praten. Alleen op 4 mei stortte mijn anders zo introverte vader volledig in, om direct na Dodenherdenking, een glas whisky in de hand, weer over te gaan naar 365 dagen business as usual.

Ik droomde er intussen van aan het toneel te gaan. Ik wilde acteur worden - al weet ik heel goed dat er aan mij bepaald geen Gijs Scholten van Aschat verloren is gegaan.Als jongetje van 6 speelde ik mijn eerste rol.

Die van ezel, in een kerstspel. Korte tijd later sprak ik als herbergier mijn eerste tekst uit, tegenover Jozef en Maria: 'We zitten vol!' Ik schreef musicals die werden opgevoerd, met de klas bezochten we jaarlijks een voorstelling van de Rotterdamse jeugdtheatergroep Wiedus!. Als het licht uitging, had ik ogenblikkelijk het gevoel dat daar iets plaatsvond waarvan ik deel uitmaakte. Ik raakte betoverd door de magie van theater. Ik wilde me aanmelden bij de toneelacademie, voorgoed opgaan in een andere wereld, en grenzen verkennen die ik niet voor mogelijk hield. Maar mijn vader dwarsboomde mijn plannen. Het acteurschap zag hij niet zitten. Het was: no way, gebeurt niet - zonder verhaal, zonder argumenten.

Ik ben uiteindelijk naar de Hogere Hotelschool gegaan. Ook daar hield ik me bezig met toneel: ik deed aan studentencabaret, ik regelde, als een soort mini-producent, feesten en gala's. Ik was erop uit om op een ander vlak dan het terrein dat ik ooit voor ogen had de erkenning van mijn vader af te dwingen en dat heeft me in positieve zin gevormd.

Tot mijn 35ste was ik , met succes, actief in de hotellerie en van die ervaring pluk ik nog altijd de vruchten. Toch heb ik het mijn vader lang kwalijk genomen, dat hij me niet de keuzen heeft laten maken die ik wílde maken. En dat hij zo zelden liet blijken dat hij trots op me was.

Mijn eigen zoons - ze zijn nu 14 en 10 - wil ik, anders dan mijn vader deed, straks niets in de weg leggen. Ze mogen worden wat ze wíllen worden - zolang ze hun uiterste best doen. Ik ben een veeleisende en ook wel ongeduldige vader, denk ik, maar als ze zich volledig inzetten is een mislukking niet het einde van de wereld. Sterker nog: als het erop aankomt, zal ik voor ze door het vuur gaan. Ook als het misgaat. Dat mijn oudste nu al weet dat hij piloot wil worden, juich ik alleen maar toe. Al zal ik hem, als het straks nodig is, tegen te hoge verwachtingen beschermen: ook de luchtvaart heeft het zwaar in deze crisistijd.

Mijn vader is overleden toen ik 21 was en ik net mijn diploma van de Hogere Hotelschool had behaald. Ik ben, als enig kind, voor mijn moeder gaan zorgen. Ik heb haar zelfs een half jaar in huis gehaald omdat ze zo intens verdrietig was.

Achteraf was dat geen goed idee: na die tijd moest ze niet alleen van haar man, maar ook, in zekere zin, van haar zoon afscheid nemen. Zelf kwam ik er niet aan toe om de dood van mijn vader te verwerken. Ik ben er uiteindelijk zelfs voor in therapie geweest. Toen begon ik me scherper te realiseren dat mijn vader altijd veel van me heeft gehouden, maar door hoe hij was en wat hij heeft meegemaakt daaraan niet goed uiting kon geven. Mijn moeder is inmiddels 78. Ze overwintert elk jaar zes maanden in Spanje, in een appartement dat we samen voor haar hebben gehuurd. Elke zondagochtend bellen we uitgebreid. Ze heeft wel wat kwaaltjes, maar verder is ze gezond en vitaal en kan ze zichzelf uitstekend redden.

Over mijn eigen verschiet maak ik me geen zorgen. Mijn pensioen heb ik goed geregeld, voor de jongens is er - als ze straks 18 zijn - een financiële reserve zodat ze een studie of opleiding kunnen volgen. Ik heb geen sombere gedachten over straks, de tijd waarin ik in een verzorgingstehuis terecht zal komen. Zelfs het grijze haar - dat er tegenwoordig wél is - is geen issue meer: prima, niks aan de hand, denk ik nu.

Natuurlijk besef ik dat de tijd die ik nog heb, korter is dan toen ik 40 was. Van die gedachte word ik niet panisch. Ik zal altijd blijven werken en doen wat me gelukkig maakt. Achter de geraniums zal ik ook na mijn pensioen niet gaan zitten. Beter ook: ik heb de neiging de dingen naar m'n hand te zetten en Pien, die me altijd met beide benen op de grond houdt, zou het dan echt wel zeggen: 'Nou maar effe niet.'

Bij Niehe Media kan ik, net als in de begintijd van Stage, het bedrijf uitbouwen en succesvoller maken. Het is inmiddels gegroeid van dertig naar zeventig medewerkers. Zeker in deze tijd van crisis is het ontzettend fijn om werkgelegenheid te kunnen verschaffen.

Mijn mede-directeuren Ivo Niehe en Carla Snepvangers en ik zijn volkomen complementair aan elkaar. We maken veel plannen. We maken theater, we maken tv zoals Erica op reis en Uitstel van executie, we organiseren grote evenementen en profileren ons ook online - een unieke combinatie.

Binnenkort verhuizen we met ons kantoor naar het trendy bedrijventerrein De Overkant aan het Amsterdamse IJ. We krijgen er een top events locatie bij en straks hopelijk ook eigen tv-studio's. Nieuwe uitdagingen ga ik met gemak aan: tegenwoordig geef ik ook lezingen over leiderschap en vertel ik, zonder dat ik een wetenschapper of goeroe ben, een verhaal dat ik tien jaar geleden nog niet had kunnen vertellen.

Eigenlijk zit ik enorm in een fase van bouwen dat de aftakeling voor mij ver weg is. Ik wil genieten van het nu en niet bezig zijn met de angst voor straks, want dan pak je jezelf iets af. De enige oprechte zorg die ik voor later heb: zal het mijn kinderen dan goed gaan?

Ik heb na mijn 25ste een fantastische periode gekend waarin alles kon en mocht en ik talloze kansen kreeg. Is dat straks ook voor mijn zoons weggelegd of krijgen ze stormwind tegen? Zullen ze een goede baan krijgen? Zullen ze gelukkig zijn?

Ik zal er altijd voor ze zijn. Nu ik de 50 ben gepasseerd zal ik, ondanks al mijn energie, af en toe ook pas op de plaats maken. Toen ik bij Stage wegging, kreeg ik een hoop aanbiedingen. Onder meer een prachtige, goed betaalde baan in Amerika. Maar ik wilde niet opnieuw zo lang en vaak bij mijn kinderen weg. Tegenwoordig sta ik elke zaterdagochtend op het voetbalveld.'

Lees verder op pagina V10

bIOGRAFIE

Over/op

Wat zijn de zorgen en dilemma's van de (net-)vijftiger? Welke verwachtingen zijn er nog? Is een belangrijke carrièremove (nog) denkbaar? Wat betekent het dat de kinderen het huis uit zijn of dat ouders ziek zijn en komen te overlijden? Hoe wordt er gedacht over het eigen onvermijdelijk naderende afscheid van het leven? Hoe richt je straks je laatste (levens)fase in? Cornald Maas, zelf net 50 geworden, onderzoekt in de reeks Over de helft een generatie die nog volop in het leven staat, maar wel haast moet maken. De reeks is een vervolg op de serie Op de helft, waarvoor hij (net-)veertigers sprak.

Erwin van Lambaart wordt op 22 juni 1963 geboren in Rotterdam. Op 21-jarige leeftijd studeert hij af aan de Hogere Hotelschool in Den Haag. Tot zijn 34ste is hij werkzaam in de internationale hotellerie, vanaf 1998 is hij in dienst bij Joop van den Ende Theaterproducties/Stage Entertainment. Van Lambaart is verantwoordelijk voor musicals als Aida, Mary Poppins, Tarzan en Mamma Mia. Hij werkt samen met onder anderen John Kraaijkamp sr, André van Duin, Tineke Schouten en Liza Minnelli. Hij is niet alleen directeur, maar ook lid van de Raad van Bestuur van het internationale theaterbedrijf Stage Entertainment. Vanaf 2007 verwerft hij nationale bekendheid als jurylid in de door de AVRO uitgezonden tv-talentenjachten Op zoek naar Evita, Joseph, Mary Poppins en Zorro. In augustus 2011 krijgt hij de supervisie over de Stageproducties in het buitenland. In januari 2012 kondigt hij zijn vertrek aan bij Stage Entertainment en op 1 mei 2012 treedt hij in dienst bij Niehe Media als algemeen directeur en mede-eigenaar, met als belangrijk onderdeel Niehe Van Lambaart Theaterproducties.

Vervolg van pagina V9

undefined

Meer over