Vaclav Havel - of de 'morele omweg' van een buitenstaander

Hoop zonder optimisme, dat was de houding waarmee de voorman van Charta 77 zich in de lange jaren van uitzichtloosheid staande hield, betoogt Paul Scheffer.

PAUL SCHEFFER

Het decor wordt gevormd door de luisterrijke eetzaal van hotel Pariz in het centrum van Praag. Overal zitten mensen aan tafeltjes, velen van hen lezen het partijblad Rudé Právo. In het midden van de eetzaal staat een grotere tafel met daaraan twintig mensen. Plotseling komt via een zijdeur een wat nerveuze man op in een legerjas. Hij loopt naar de grote tafel, gaat aan het hoofd zitten en zegt na een korte pauze: 'Het symposium is geopend.' Vanachter hun kranten springen tien mannen in regenjassen op, vatten de spreker onder de armen en voeren hem af. Het doek valt.

Ik zal de scène niet snel vergeten. We waren naar Praag gekomen voor een symposium van de dissidentenbeweging Charta 77. De man in de legerjas was Václav Havel. Met een superieure grijns rond de lippen werd hij afgevoerd: hij was de mindere, maar ook de verborgen regisseur van dit kleine drama dat 's avonds, die elfde november 1988, in alle West-Europese huiskamers te zien was.

Later dat jaar, net terug uit de gevangenis, schrijft de hoofdrolspeler: 'De kaarten liggen op tafel. Hoe het spel verder zal gaan, valt niet te zeggen. Het belangrijkste is dát het 'spel' is begonnen.' En inderdaad laat de ontknoping niet lang meer op zich wachten. Een jaar nadat de eerste openlijke demonstraties sinds 1968 uiteen zijn geslagen, zeeg het Tsjechoslowaakse regime in 24 dagen ineen. En daarmee was de lange omweg van Havel tot een goed einde gebracht: de eeuwige buitenstaander werd nog wat tegensputterend president. Men moest zich in de arm knijpen, zo dicht naderde de werkelijkheid die dagen en weken een geregisseerd dramastuk.

In tal van geschriften heeft Havel zijn levensverhaal en filosofie gedocumenteerd. Zijn wortels liggen in de rijke Praagse burgerij van het interbellum. Hij leidt naar eigen zeggen een geprivilegieerd leven en schaamt zich daar ten diepste voor. De jonge Havel leeft met een onbewuste angst dat iedereen tegen hem samenspant en stilzwijgend vindt dat al zijn weelde onverdiend is, zoals hij uitlegt in een autobiografisch gesprek Verhoor op afstand: 'Kort gezegd, ik voelde me buitenstander, buitengesloten, vernederend door mijn 'hogere' stand.' Daar komt ook nog eens bij dat hij als kind gebukt gaat onder zwaarlijvigheid.

Het lot is behulpzaam en verlost Havel al spoedig van enkele complexen. In 1948 komen de communisten aan de macht en wordt het gezin tot 'onderwerp van klassenstrijd'. Al het familiebezit wordt genationaliseerd. Het belangrijkste gevolg van deze omkering van de verhoudingen is dat Havel en zijn broer geen mogelijkheid krijgen om verder te studeren. Alle universiteiten en hogere opleidingen zijn voor hen gesloten.

Vijf jaar lang werkt Havel als laborant en begint tegelijkertijd met enkele vrienden een opgewonden ontdekkingsreis door de literaire wereld van Praag. Als vanzelf raakt hij verzeild in kringen van de 'tweede' cultuur, van hen die uitgesloten zijn van de officiële culturele instituties, zoals de schrijvers Josef Skvorecky en Bohumil Hrabal en de groep dichters rond Jiri Kolar. Havel noemt deze omgang een 'universiteit van de schrijversmoraal': 'Ik voelde me bij hen thuis lang voordat ikzelf afgesneden was van de publieke cultuur, en zelfs lang voordat ik in die publieke cultuur betrokken raakte.' De buitenstaander wordt op een andere manier tot de marge aangetrokken.

Het absurde theater heeft de uitgesproken voorkeur van Havel: Ionesco, Pinter en Beckett zijn de grote voorbeelden. Maar hij geeft een eigen uitleg aan die schrijvers: 'Meer dan wat ook draagt juist deze kunst, met haar wanhopige protest tegen het verlies van de zin der dingen, het geloof in zich; als er al een kunst bestaat die het zonder geloof kan stellen, dan is dat hooguit een puur commerciële kunst.' Geheel in deze traditie schrijft Havel zijn eerste twee avondvullende stukken Tuinfeest (1963) en Rondschrijven (1965). In beide stukken wordt een nogal clichématig beeld gegeven van het bureaucratische universum. Havel schept een wereld waarin de rituele taal langzaam loszingt van de werkelijkheid en zich langzaam keert tegen de oorspronkelijke bedoelingen, zo die er al ooit zijn geweest. Het is Kafka, maar dan veel minder overtuigend.

In deze jaren raakt Havel ook voor het eerst zelf verwikkeld in een conflict met de partijbureaucratie. Op het vierde schrijverscongres in 1967, dat als een belangrijke voorloper van de Praagse Lente geldt, houdt Havel een kritische rede, ook ten opzichte van de 'anti-dogmatici'. Het tekent zijn houding, want over de Praagse Lente heeft hij ambivalente gevoelens. Natuurlijk sympathiseert hij met de pogingen om zijn land een wat democratischer aanzien te geven, maar de hele machtsstrijd binnen de communistische partij doet hem als niet-communist weinig. Havel gaat dan ook een stap verder en kiest onomwonden voor een politiek pluralisme.

Nadat de hervormers met harde hand tot de orde zijn geroepen door Moskou breekt de tijd van de normalisering aan. Van 1969 tot 1975 leeft Havel naar eigen zeggen in 'één enkele vormloze mist'. Deze tijdloze tijd begint met een brief aan de gevallen leider, Alexander Dubcek. Een jaar na de inval wordt op de protagonist van het socialisme met een menselijk gezicht druk uitgeoefend om zijn vroegere ideeën publiekelijk af te zweren. Havel verwijst naar het dilemma van de Tsjechische president Edward Benes in de jaren dertig en schrijft: 'Toen waren het juist de communisten die de suggestieve argumenten voor de capitulatie het hoofd wisten te bieden en heel goed begrepen dat een feitelijke nederlaag niet ook een morele nederlaag moet worden en dat bovendien een morele overwinning later een feitelijke overwinning kan worden, wat een morele nederlaag nooit kan.'

Het duurt tot 1975 voordat Havel weer het woord neemt. Opnieuw kiest hij de vorm van een open brief, nu aan de president, Gustav Husak. Vanaf dat moment gaat hij onverstoorbaar zijn gang en groeit uit tot hét symbool van de oppositie. In januari 1977 ontstaat Charta en Havel is woordvoerder, samen met de fenomenologische filosoof Jan Patocka en de oud-minister van Buitenlandse Zaken Jiri Hajek. Al snel wordt hij gearresteerd.

Deze eerste arrestatie ervaart hij als de meest traumatische. Vooral omdat hij de 'immense stupiditeit' begaat om tegen de autoriteiten te zeggen dat hij zijn woordvoerderschap zal neerleggen, wat vervolgens breeduit in de publiciteit wordt gebracht. Havel voelt zich vernederd en werkt naar eigen zeggen in de daarop volgde jaren bijna 'hysterisch' om te worden gerehabiliteerd.

In deze jaren schrijft hij zijn langere essays, waarvan de meeste zijn te vinden in Poging om in waarheid te leven en Naar alle windstreken. Wat direct opvalt, is de samenhang in het denken van Havel door de jaren heen. Ook al bekent hij zich tot een eclectische houding, van grote verschuivingen in zijn opvattingen is geen sprake.

In zijn essays treffen we een sterk cultuurpessimisme aan, terwijl tegelijkertijd een filosofie van de hoop wordt bezongen. Naarmate de kans om te ontsnappen aan de algehele politieke en culturele neergang kleiner wordt, wint zijn pleidooi voor een moraal van de machteloze aan kracht.

Wat vaak over het hoofd wordt gezien, is de cultuurkritiek van Havel: 'Ik ben ervan overtuigd dat datgene wat 'dissident' genoemd wordt in het sovjetblok, een specifiek moderne ervaring is, namelijk de ervaring van het leven op de uiterste rif van de moderne, ontmenselijkte macht.' Het totalitarisme staat niet op zichzelf, maar is 'een bolle spiegel van de gehele moderne beschaving en een harde - misschien wel laatste - oproep tot een algemene herziening van haar zelfbeeld'. Zo gezien is het Oost-Europese socialisme de uitvergroting van een tendens die inherent is aan de gehele Europese beschaving.

De oorsprong van deze cultuurcrisis zoekt Havel in de troonsbestijging van de moderne mens, die elke relatie met de natuurlijke leefwereld heeft verloren. In wat hij omschrijft als de 'eerste atheïstische beschaving', is de persoonlijke verantwoordelijkheid verdwenen achter een anonieme machtsuitoefening. 'Als toppunt van dit alles schiep de mens de illusie van een wetenschappelijk te berekenen en zuiver technisch te verwezenlijken 'welzijn voor allen'.'

Daartegenover stelt hij een filosofie van de hoop: 'Hoop is een geestesgesteldheid, geen wereldgesteldheid.' Aan het succes in de buitenwereld kan men niets afmeten: er zijn zaken waarvoor het waard is te lijden, ongeacht wat ermee wordt bereikt. In Brieven aan Olga gaat hij verder in op het verschil tussen hoop en optimisme: 'Als ik het over geloof en hoop heb, bedoel ik niet optimisme in de gebruikelijke zin van het woord. Je kan je een mens zonder geloof voorstellen die denkt dat alles goed afloopt en een mens met geloof die er rekening mee houdt dat alles slecht afloopt.' Hij hoort zelf bij het tweede slag mensen, zoveel is wel duidelijk.

De verwijzing naar 'geloof' is niet toevallig. Havel haakt naar een religieuze duiding van de wereld: er is geen vergankelijk menselijk bestaan zonder een onvergankelijke horizon. 'Het werkelijke geloof is iets dat onevenredig veel dieper en geheimzinniger is dan welke optimistische (of pessimistische) emoties.' Die afstand scherpt de blik: 'Daarom is ook alleen een in diepere zin gelovig mens in staat de dingen zó te zien als ze werkelijk zijn en ze niet in de een of andere richting te vertekenen, hij heeft immers persoonlijk en emotioneel geen reden tot een dergelijke vertekening.'

Die onthechte houding bleek in de uitzichtloze situatie van het Tsjecho-Slowakije van de jaren zeventig en tachtig een grote kracht. Het cultuurpessimisme en een filosofie van de hoop komen bij elkaar in wat Havel een 'antipolitieke politiek' noemt, dat wil zeggen een politiek die op een moreel fundament staat. Charta 77 is in zijn opvatting geen poging tot een politieke oplossing van de crisis: 'De enige logische en zinvolle weg voor de burger uit de morele crisis van de maatschappij is namelijk een morele weg.' Havel noemt dat het streven naar 'leven in waarheid'; je zou ook kunnen zeggen uit de nood een deugd maken.

Het is zinloos om in het gesloten universum van het totalitarisme een politieke confrontatie aan te gaan, daarvan is Havel al snel overtuigd. Een omweg is nodig. De weerstanden tegen de almacht van de staat moeten gezocht worden in de veelvormigheid die bij het leven hoort. Die 'voorpolitieke' wereld ondermijnt de eendimensionale macht, maar wordt er ook dodelijk door bedreigd. 'Het is een door en door tweeslachtige situatie. En voor de totalitaire macht zelfs een zeer hachelijke. Deze versterkt weliswaar haar alomtegenwoordigheid, maar ook - paradoxaal genoeg - de alomtegenwoordigheid van wat zij wil onderdrukken...'

In de lange en eenzame jaren tachtig schrijft Havel als 'uitweg uit de wanhoop' tussen de bedrijven door toneelstukken als Largo Desolato (1984) en De Verzoeking (1986), een variatie op het Faust-thema. Terwijl in zijn eerste toneelstukken de sociale mechanismen die de mens verpletteren centraal staan, komt nu de thematiek van het verzet naar boven drijven. Maar naar zijn eigen zeggen blijft de identiteitscrisis van de mens de rode draad die door zijn werk loopt. Terwijl hij in zijn essays de hoop in het middelpunt stelt, komt in zijn toneelwerk juist de roemloze ondergang en de hopeloosheid naar voren: 'Ik schrijf meedogenloos sceptische en zelfs wrede toneelstukken, terwijl ik op andere gebieden me haast gedraag als een Don Quichotte en een eeuwige dromer...'.

Zoals bij zijn vroegere stukken zijn de morbide humor en de vervreemdende dialogen volop aanwezig en ook in het 'genormaliseerde' land ontbreekt het daar niet aan. Maar verder lijkt de tijd stil te staan. Havel probeert zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat het niet zo erg is als er een tijd lang niets gebeurt: 'Daar waar het leven niet is dichtgemetseld achter de uiterlijke schijn van 'wat er gebeurt' en waar het feit dat er 'niets gebeurt' niet automatisch als een dodelijke toestand wordt gezien, kan zelfs een trots, waardig en zelfverzekerd stilzwijgen zinvol klinken.' In deze jaren waarin er geen rimpeling in de bevroren vijver zichtbaar is, wordt het fundament waarop de hoop rust wel buitengewoon fragiel.

Terwijl in de Sovjet-Unie de perestrojka doorzet en in Polen en Hongarije de communistische partij omvalt, proberen de Tsjechische machthebbers zich met de moed der wanhoop aan de oude zekerheden vast te klampen. Maar als de Muur valt, is er geen houden meer aan en blijkt de 'morele omweg' van Havel en de zijnen doeltreffend te zijn. En zo zien we de onzekere, wat depressieve schrijver ineens in de catacomben van het theater Laterna Magica arm in arm met Dubcek de machtswisseling voorbereiden. En nog geen maand later spreekt hij als president in zijn nieuwjaarstoespraak, de eerste Tsjechoslowaakse president Tomas Masaryk parafraserend, de woorden: 'Uw regering, landgenoten, is tot u teruggekeerd.'

Het had in Praag op 11 november 1988 moeten gaan over de positie van Tsjecho-Slowakije in Europa. Deze bescheiden uitwisseling ging de autoriteiten duidelijk een brug te ver. Het was moeilijk om met droge ogen de berichtgeving te lezen over het symposium in de partijkrant Rudé Právo. Daar werd gesproken over 'een poging tot psychologische oorlogsvoering met medewerking van diverse NAVO-organen' en over 'het aanzetten van zogenaamde dissidenten tot een nog grotere antisocialistische activiteit'. Dat laatste was niet slecht gezien.

Wie in de jaren tachtig van huisbezoek naar huisbezoek ging in het milieu van de chartisten kreeg een deprimerend beeld van Tsjecho-Slowakije twintig jaar na de Praagse Lente. De dissidenten waren ervan doordrongen dat het communisme nog heel lang de horizon van hun dagelijks leven zou vormen. Ze lieten zich niet meeslepen in de o zo realistische berusting van het overgrote merendeel van hun landgenoten. Dat maakte een onuitwisbare indruk op me. Niet dat iedereen daarnaar kan of hoeft te leven. Maar na die avond in hotel Pariz zou ik nooit meer geloven in de bedrieglijke eenvoud van het noodlot.

HAVEL UITVERKOCHT IN HET NEDERLANDS

Veel van Havels boeken zijn in Nederlandse vertaling verschenen en antiquarisch leverbaar. De kwaliteit van die vertalingen is zeer wisselend; de Engelse vertalingen van Paul Wilson zijn heel goed. Naast zijn toneelwerk gaat het om de volgende essays en autobiografische geschriften: Poging om in waarheid te leven, Van Gennep, 1986; Brieven aan Olga, Fontein, 1989; Naar alle windstreken, de Prom, 1990; Verhoor op afstand, de Prom, 1991; Angst voor de vrijheid, Van Gennep, 1992; Zomeroverpeinzingen, de Prom, 1992. Een goede biografie is die van John Keane: Vaclav Havel, A political tragedy in six acts. Bloomsbury, 1999.

undefined

Meer over