Vaarwel, vergeet alles maar! Eduardo Mallea gedenkt Jesaja 15:6

Eduardo Mallea (1903-1982) behoort met de reeds in Nederland geïntroduceerde auteur Roberto Arlt tot de grondleggers van de moderne Argentijnse romankunst....

SANDER DE VAAN

Wat hun taalgebruik aangaat verschilden beide schrijvers al evenzeer van elkaar. Bediende Arlt zich van een explosieve stijl waarbij spelling en syntaxis nogal eens een deuk opliepen, Mallea was een Pietje Precies, die zijn gedachten uitsluitend in gepolijste volzinnen aan het papier toevertrouwde.

Toch waren Arlt en Mallea in literair opzicht aan elkaar verwant. Beide auteurs bedienden zich van nieuwe verteltechnieken en legden al in een vroeg stadium het accent op de psychologische karaktertekening van hun personages, wat in het Argentinië van de jaren dertig hoogst ongebruikelijk was.

Hun thematiek kent eveneens belangrijke overeenkomsten. Zowel Arlt als Mallea koesterde een mistroostige visie op het bestaan van de moderne mens in het algemeen, en op dat van de stadsmens in het bijzonder. Eenzaamheid, ontgoocheling en een existentiële wanhoop zijn dan ook troef in beider werk.

Arlts belangrijkste boeken, De zeven gekken en De vlammenwerpers, verschenen in respectievelijk 1993 en 1994 in vertaling bij Coppens & Frenks. Mallea treedt nu in Arlts voetsporen met een van zijn meest geslaagde romans: het uit 1941 stammende Al het groen zal vergaan.

Wijst deze aan Jesajah 15:6 ontleende titel al op een weinig opgewekt verhaal, de troosteloze landschapsbeschrijving en de desolate typering van de hoofdpersonages in het eerste hoofdstuk nemen iedere twijfel weg: hier is een schrijver aan het woord die tot in de donkerste uithoeken van het menselijk bestaan is afgedaald.

Centraal staan de lotgevallen van de 35-jarige Agata Cruz, die aan de rand van de pampa in bittere armoede leeft met haar man Nicanor. Na een eenzame jeugd (haar moeder overleed kort na haar geboorte, haar zwijgzame vader vermeed iedere vorm van communicatie) dacht ze even dat haar huwelijk met de zwijgzame, maar welgestelde Nicanor haar uit haar isolement zou verlossen.

Vijftien jaar later beseft Agata dat haar relatie met Nicanor een farce is. Het faillissement van hun boerenbedrijf en het uitblijven van nageslacht hebben een wig gedreven tussen de van nature reeds gesloten echtgenoten: 'Hij, verbitterd; zij, gekwetst. En allebei waren ze in het leven geworpen als melaatsen van de tijd, beroofd van alle naastenliefde'.

In het eerste deel van het boek weet Mallea de gestage geestelijke verloedering van het echtpaar haast tastbaar te maken. Hij bedient zich daarbij voornamelijk van het gezichtspunt van Agata, die na tal van vergeefse verzoeningspogingen concludeert dat Nicanor een onmens is: 'Wat had het voor zin van dat versteende wezen (. . .) een mens te willen maken?'

Halverwege het verhaal krijgt Nicanor een longontsteking, waarop Agata in een vlaag van verstandsverbijstering de ramen in het huis tegen elkaar openzet. Haar wanhoopsdaad krijgt de volgende dag een tragikomische dimensie: Nicanor, de man met het ijzingwekkend kille karakter, wordt doodgevroren in bed aangetroffen.

Na deze afschuwelijke ervaring besluit Agata haar geluk te beproeven in de nabijgelegen kustplaats Bahía Blanca. Daar ontmoet ze de flamboyante Emma de Volpe, die haar in het lokale uitgaanscircuit introduceert. Agata is hoopvol en gaat hartstochtelijk op zoek naar de ware liefde.

Die dient zich al spoedig aan in de persoon van de charmante advocaat Sotero. Na een korte weifeling gaat Agata in op zijn avances: 'Het was niet louter een sympathieke stem die tegen haar sprak, het was het leven - dat wat zich altijd buiten haar bevonden had en waar ze zo vurig deel van wenste uit te maken.'

Agata wil zich volledig voor het geluk openen, maar haar gereserveerde karakter speelt haar parten. Haar hoop - 'een levend mens van vlees en bloed worden' - wordt wreed verstoord wanneer de bon vivant Sotero haar plots een koel afscheidsbriefje schrijft: 'Vaarwel, vergeet alles maar.'

Het contact met de door Mallea zo verfoeide urbane samenleving, waar egoïsme en uiterlijke schijn hoogtij vieren, betekent de nekslag voor Agata. Vlak voordat ze verzinkt in complete waanzin, stelt ze verbitterd vast dat zelfs God haar niet heeft bijgestaan bij haar zoektocht 'naar iemand die mijn taal spreekt'.

Mallea vertolkt Agata's wanhopige poging om in het leven te staan met een verbluffend invoelingsvermogen, zonder dat hij daarbij ook maar een moment in sentimentaliteit vervalt. Verder springen met name zijn elegante stijl en zijn techniek in het oog: hij speelt niet alleen een aantrekkelijk spel met het vertellersperspectief, maar laat ook verleden en heden in zijn verhaal op geraffineerde wijze in elkaar overvloeien.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Mallea zich soms al te nadrukkelijk een estheet betoont en dat zijn beeldspraak niet gespeend is van open deuren: 'De ziel van een eenzame vrouw (is) een gebouw met vele, moeilijke toegankelijke, verborgen vertrekken.' Maar afgezien daarvan heeft dit huiveringwekkende document over de fundamentele eenzaamheid van de mens ruim een halve eeuw na verschijning amper aan glans verloren.

Eduardo Mallea: Al het groen zal vergaan. Uit het Spaans vertaald door Arie van der Wal. Coppens & Frenks, ¿ 49,50.

Meer over