Utrecht laat zien wat het altijd al had

Voor de toerist houdt Utrecht op bij het Domplein. Met de kaart in de hand kijkt hij eerst omhoog, daarna om zich heen, om vervolgens rechtsomkeert te maken, terug naar waar hij vandaan kwam: winkelcentrum Hoog Catharijne en de omringende drukke straten, een terrasje aan de Oude Gracht....

JUDITH KOELEMEIJER

Van onze verslaggeefster

Judith Koelemeijer

UTRECHT

Geen mens die voor zijn lol de zuidelijke oude binnenstad inloopt, naar museum Catharijneconvent aan de stille, chique Nieuwe Gracht of het Centraal Museum aan de Agnietenstraat. Waarom zou je ook? Wie vermoedt dat je in dit gebied prachtige kloostercomplexen, smalle middeleeuwse stegen, eeuwenoude binnentuinen, zelfs een sterrenwacht kunt vinden?

Vanaf het Domplein kijkt de bezoeker de Lange Nieuwstraat in, die met zijn smalle ongelijke stoepen en al te gewone gevels weinig uitnodigend is. Alleen auto's en stadsbussen denderen vol vaart vanaf het met keien bestrate Domplein de geasfalteerde straat in.

Dat moet anders, vinden ze in Utrecht. In 1994 presenteerde de gemeente het Masterplan Museumkwartier, een project dat het gebied tussen Domplein en Centraal Museum, Oude en Nieuwe Gracht herkenbaar moet maken als hét cultuurhistorische hart van Utrecht.

Toeristen, Jaarbeursgangers en winkelpubliek weten Utrecht snel te vinden, maar zijn er ook zo weer weg, zegt Jo de Viet, hoofd Economische Zaken van de gemeente. Het Museumkwartier moet de 'in cultuur geïnteresseerde bezoeker' langer vasthouden en als die dan ook nog een museum bezoekt, is dat helemaal prachtig. (Sjarel Ex van het Centraal Museum: 'De Domtoren trekt jaarlijks bijna 200 duizend bezoekers. Wij krijgen er hoogstens vijfduizend, dat is echt te weinig.')

De musea waren er al. Het Centraal Museum, Catharijneconvent, het Nederlands Spoorwegmuseum en het Museum van Speelklok tot Pierement liggen op loopafstand van elkaar. Het kwartier moest erbij om het gebied een imago te geven, de (liefst internationale) uitstraling die het zo lang heeft ontbeerd. Of, zoals directeur Huub Blankenberg van museum Speelklok tot Pierement zegt: 'Het is voornamelijk een marketingconcept. De musea waren er gewoon. Als je er een lijn omheen zet, heb je een museumkwartier.'

Zeg Museumkwartier, en je denkt aan steden als Florence, waar je van het ene naar het andere museum slentert, langs antiquariaten en bomvolle terrasjes. Zo ver is het in Utrecht nog lang niet. Wél is er deze zomer een Bezoekerscentrum alias informatiecentrum voor Cultuurhistorie geopend op het Domplein. Twee weken geleden heeft de gemeenteraad besloten de Oude en Nieuwe Gracht met drielingen (een eeuwenoud model klinker) te bestraten. En op 10 oktober wordt het nieuwe Universiteitsmuseum aan de Lange Nieuwstraat geopend - om een paar zaken te noemen.

Het mooiste bestaat vooralsnog alleen op papier. Overal in het kwartier wordt getekend, verbouwd, gerekend en onderhandeld. Er is een projectleider aangesteld (architect en stedenbouwkundige Rein Geurtsen, die naam maakte met de herinrichting van de binnenstad van Maastricht), en er zijn tal van kleurrijke brochures uitgegeven met evenzovele plannen.

Het Domplein wordt niet het einde, maar het begin van de toeristische trip. Vanaf dit najaar komt er geen verkeer meer op. De stilte keert terug. Borden wijzen de bezoeker het Museumkwartier in. De Lange Nieuwstraat, nu een 'sjeesstraat waar de loop uit is', zoals een winkelier zegt, krijgt een brede 'flaneerroute'. Er mogen geen auto's meer in, alleen elektrische citybusjes die elkaar net kunnen passeren. Parkeren moeten de bewoners in de nog te bouwen parkeergarage onder het Lepelenburg (waarover de gemeenteraad dit najaar beslist).

Een extra attractie op het Domplein wordt, in een nog verdere toekomst, een ondergronds bezoekerscentrum dat een beeld moet geven van de historische gelaagdheid van Utrecht. Onder het plein liggen tal van Romeinse en middeleeuwse fundamenten, die allemaal ooit blootgelegd zijn, maar daarna weer onder de keien verdwenen. In het gedroomde centrum loop je er tussendoor, als in een 'theater van de tijd' (belooft de brochure).

Tot dit plan van de Utrechtse architect Jaco de Visser gerealiseerd is (kosten: vijftien miljoen gulden, Rein Geurtsen wacht nog op een 'mecenas'), moet je de geschiedenis en de 'gelaagdheid' op straat zoeken. In het Museumkwartier vind je die in de smalle stegen tussen de Oude en Nieuwe Gracht, in dikke, middeleeuwse muren naast nieuwe gevels. Achter nieuwbouwhuizen liggen oude hofjes verborgen met een moderne tuinarchitectuur. In de Schutterstraat zitten vrouwen voor hun kleine woningen. Auto's kunnen in dit smalle straatje niet komen, iedereen kijkt bij elkaar naar binnen. De vrouwen wonen er al hun hele leven en hopen dat er nooit studenten in 'hun' straatje komen, want die lappen de ramen niet.

Halverwege de Lange Nieuwstraat staat de Catharinakerk. De kerk ligt aan een onaantrekkelijk plein met een busbaan ervoor. Vanaf het plein kun je via een poort het oude kloosterhof binnen dat aan de kerk grenst. Het is een verwaarloosd pleintje met in het midden een grasveld met een lelijk, wit-modern beeld. Rondom het hof ligt het Catharijneconvent, het museum voor religieuze kunst. Vanaf deze kant kun je het museum niet in, daarvoor moet je aan de andere kant, op de Nieuwe Gracht zijn.

Als het aan projectleider Geurtsen ligt, wordt de ingang verplaatst naar het kloosterhof. De bezoeker hoeft dan niet meer via de Nieuwe Gracht en een ondergrondse gang het museum in, maar stapt er in een keer binnen. Daarvoor moet wel de kapel van kardinaal de Jong verplaatst worden, die in de jaren zestig op een ongelukkige plek in het museum gebouwd werd. De kapel komt nu op het plein voor het museum. Hubert Jan Henket heeft al een ontwerp gemaakt voor het nieuwe stiltecentrum, dat de Lange Nieuwstraat eindelijk dat cachet moet geven dat een winkelier nu zo zegt te missen.

Directeur Henri Defoer van het Catharijneconvent vindt het een prachtig plan, maar is wel 'blut'. Met de toegezegde subsidie van ruim zeven ton van het Stimuleringsfonds Stedelijke Economie is hij er niet. 'De gemeente zal moeten bijspringen.' Het is niet het eerste plan in het kwartier waarvoor de financiering nog niet rond is. Bij veel projecten in het Plan van Aanpak staan nog drie vraagtekens, wat betekent: budgettering onbekend. In oktober wordt duidelijk of de gemeente kan rekenen op zes miljoen gulden subsidie uit Brussel.

Wat er in ieder geval wél komt is het Universiteitsmuseum in de vroegere biologiefaculteit verderop in de Lange Nieuwstraat. De ingang ligt nu nog aan de Eligenstraat, een smal met klimop begroeid straatje. Een poort geeft toegang tot de grote (ex)botanische tuin, die omringd wordt door vervallen kassen en orangerieën. Het oude biologiegebouw zelf staat nog in de steigers. Op 10 oktober krijgt het Universiteitsmuseum, dat jarenlang te klein gehuisvest was in de Biltstraat, er zijn nieuwe onderkomen.

Architect Koen van Velsen heeft de faculteit met zijn vele 'schlemielige lokaaltjes' (zoals museumdirecteur Steven de Clercq zegt) slim verbouwd. Rond het gebouw zijn wandelgangen gemaakt met glazen wanden. Het naar binnen gekeerde museum heeft zo een buiten gekregen. Overal heb je zicht op de tuin, de persoonlijke trots van De Clercq.

Hij is er met een groep vrijwilligers al twee jaar mee bezig. Waar noodlokalen stonden, zijn vijvers met waterplanten aangelegd. Op de oude parkeerplaats is de zeventiende-eeuwse kruidentuin van Regius, die zich vroeger in de botanische tuin bevond, in ere hersteld. Tussen de kaarsrechte, perfect-symmetrische perkjes groeien weer kruiden tegen koorts en ontstekingen. De Clercq wil de orangerie in de zomer openstellen voor lezingen en concerten. 'We kunnen nu een rol spelen in de stad. Wij zijn de stepping stone tussen het Catharijneconvent en het Centraal Museum.'

Maar, zegt ook De Clercq, met een paar musea heb je nog geen Museumkwartier. 'Er móeten in deze buurt meer winkeltjes, galeries en lunchcafés komen, zodat mijn bezoekers niet naar Hoog Catharijne moeten voor een Big Mac.'

Die winkels komen er vanzelf, zegt Geurtsen: 'Een kwestie van marktwerking.' Maar Jo de Viet van de gemeente gelooft dat niet. 'Als je de markt haar gang laat gaan, willen mensen hier alleen wonen. Je moet als gemeente al een actieve stimuleringspolitiek voeren.' Maar dat heeft nu geen prioriteit.

Voor de oorlog zaten in de Lange Nieuwstraat nog een theaterkledingwinkel en een vioolbouwer, herinnert kunstenares en schrijfster Dirkje Kuik zich. Ze werd in 1912 in de Herenstraat geboren en woont sinds jaar en dag in een oud, met boeken en prenten volgestampt winkelpandje op de Oude Kamp, aan de rand van het Museumkwartier. 'Het was een heel levendige, chique wijk', zegt ze. Sinds de jaren dertig is de boel 'verpauperd'. Driekwart van de winkels verdween. Pas sinds het stadsherstel, vanaf de jaren tachtig, is het er weer prettig wonen. Ze noemt Utrecht een stijve stad ('iedereen leefde hier altijd van de kerk'). 'De hoogtijdagen lagen in de katholieke Middeleeuwen. Na de Reformatie heeft de stad dat ingeslapen klimaat gekregen.'

Dirkje Kuik heeft dan ook weinig vertrouwen in de culturele bevlogenheid van de gemeente. 'Zo'n Museumkwartier is een mooi plan, maar als het erop aan komt, zeggen ze hier altijd: we hebben geen geld. Heb je wel eens foto's gezien van de gemeenteraadsleden? Dat is toch een sufkoppenbeweging?'

Iedereen zegt het: de Utrechters zijn niet trots op hun stad. Rein Geurtsen kon in Maastricht gemakkelijker steun krijgen voor zijn plannen dan in Utrecht. 'Er heerst daar een veel chauvinistischere mentaliteit.' Of het nu komt doordat Utrecht een 'binnenstadclan' ontbeert, zoals Jo de Viet zegt, of doordat er teveel studenten en forensen wonen die geen binding met de stad hebben, zoals de Utrechtse architect Jaco de Visser vermoedt, feit is dat het Museumkwartier duidelijk een 'inhaalslag' is. Utrecht wil eindelijk laten zien wat het altijd al had, maar nooit echt heeft getoond.

Directeur Sjarel Ex ziet het Centraal Museum, gelegen in een oud kloostercomplex aan de Agnietenstraat, als de 'hekkensluiter' van het kwartier. Eind dit jaar gaat ook zijn museum verbouwen. De oude vleugel van de Willem Arntz Stichting, aan de overkant van de straat, zal via een ondergrondse doorgang bij het museum betrokken worden. De centrale entree, nu te onopvallend gelegen aan de Agnietenstraat, komt op het Nicolaaskerkhof. De bezoeker komt dan binnen via de tuin, het museum ligt daar omheen. In één oogopslag kan hij zien hoe het - nu onoverzichtelijke - complex in elkaar zit.

Ex wil na de verbouwing tweederde van de expositieruimte reserveren voor een opstelling van de vaste collectie, met een accent op 'belangrijke Utrechtse zonen' als Bloemaert en Rietveld. Er komt minder aandacht voor eigentijdse beeldende kunst. 'Het is onzin om dit museum, met zo'n mooie vaste collectie, te leiden alsof het een Kunsthal is. Je moet niet doen wat anderen al doen, maar de scherpe kant van je collectie scherper maken.'

De bezoekers van het Museumkwartier zullen er blij mee zijn, denkt hij. Ex heeft ze nodig. In het museum komen nu jaarlijks zo'n 70 duizend bezoekers. Dat moeten er 120 duizend worden.

Als je vanaf het Centraal Museum richting Maliesingel loopt, kom je uit bij de stadsbuitengracht, waar ooit de stadswal stond en in de negentiende eeuw de landschapsarchitect Jan David Zocher een gordel van parken aanlegde. Op een heuvel, verscholen achter de bomen, staat de Sterrenwacht. Bovenop de zestiende-eeuwse vesting de Sonnenborgh, met zijn dikke ronde muren, is in de negentiende eeuw de sterrenwacht gebouwd. Tot 1897 heeft het KNMI er gezeten, de studenten astronomie vertrokken in 1987. Sindsdien worden de gebouwen en telescopen beheerd door de Volkssterrenwacht, een enthousiaste club amateurs die het - vervallen en verwaarloosde - gebouw incidenteel openstelt.

Voor de Sterrenwacht kwam het Museumkwartier 'als een geschenk uit de hemel', zegt projectleider Peter Leonhart. Hij wil het gebouw permanent openstellen. Er is genoeg te zien. De eeuwenoude gangen van de vesting zijn nog intact, in de koepels op het dak staan indrukwekkende telescopen, er is een prachtig bibliotheekje. Jaco de Visser heeft een ontwerp gemaakt. In de toekomst kom je weer binnen via de oude, nu afgesloten vesting. In de kazematten komen exposities over de geschiedenis van Sonnenborgh en het KNMI. De Meridiaanzaal wordt in ere hersteld. En op de binnenplaats, waar nu het onkruid hoog opschiet, mogen van Leonhart concerten gegeven worden.

Op 1 september 1997 wil hij open. Ook hier is de financiering nog niet rond, maar dat doet er in zijn enthousiasme eigenlijk niet toe. In de brochure wordt de Sterrenwacht al vergeleken met Greenwich. Daarvoor moet elke toerist het Domplein afkomen.

Meer over