Universiteiten hebben vooral modernere structuur nodig

We hebben een ministerie tegen onderwijs en wetenschappen..

A. HEERTJE

VANOUDS zijn universiteiten knooppunten van dynamiek en creativiteit in de samenleving. Studenten worden opgeleid met het oog op het begrijpen van de wereld. In dat kader wordt ze geleerd problemen op te lossen op het sterk uitdijende terrein van alle aspecten van het menselijk leven. Hun leermeesters scheppen een klimaat van kritische zin, vrije expressie en onafhankelijk denken. Een samenleving die de universiteiten verwaarloost, valt ten prooi aan verschraling en verstarring.

Het behoort tot de essentiële taken van de overheid de burgers voor een dergelijke vernietiging van kwaliteit te behoeden. Zoals de minister van Economische Zaken de belangen van het bedrijfsleven behartigt, zo behoort de minister van Onderwijs op de bres te staan voor de hoogste vormen van onderwijs en beoefening van wetenschap.

Sinds het optreden van het kabinet-Kok is het zicht op deze eenvoudige waarheid volstrekt teloorgegaan. Het kabinet-Kok heeft gemeend te kunnen volstaan met het aankondigen van een ordinaire bezuiniging, zonder inhoudelijk aan te knopen bij het universitaire bedrijf. Het voorstel mondt uit in een expansie van het budget voor wachtgelden van mensen die naar huis worden gestuurd en verzandt tevens in de omvangrijke transactiekosten van eindeloze onnodige vergaderingen, protesten en voorstellen van Jan en alleman. De regering toont daarbij een gebrek aan inlevingsvermogen in het wetenschappelijk bedrijf.

Het wordt tijd kort en bondig op papier te zetten wat er moet gebeuren. Alle aangekondigde bezuinigingsvoorstellen moeten onmiddellijk van tafel. Geen verhoging van collegegelden, geen nieuwe bezuinigingen boven op de reeds in gang gezette bezuinigingen en ruimte voor bezinning. Deze bezinning betreft vooral twee aandachtspunten.

Allereerst is aandacht geboden voor het karakter van de universiteit, haar betekenis voor de samenleving, haar inrichting en werkwijze en haar fundamentele rol van voortdurende voedingsbodem voor vernieuwing in een complexe omgeving. Tal van vraagstukken komen dan aan de orde. De selectie en begeleiding van studenten, de verhouding tot het hoger beroepsonderwijs, het behartigen van fundamentele academische waarden, de verscheidenheid van opleidingen, het beheersen van de massaliteit en de bestuursstructuur. De specifieke kennis omtrent deze thema's is niet voorhanden bij Kok en Ritzen en nog minder bij Nuis en Netelenbos, maar uitsluitend bij de instellingen zelf, studenten, docenten en bestuurders.

Het ligt dan ook voor de hand het bestuurlijke accent verder te verschuiven in de richting van de universiteiten. Het ontwikkelen van een uiteenlopend patroon van studies is een zaak van de universiteiten, evenzeer als het vaststellen van de optimale studieduur. Het is een absurde gedachte een en ander over te laten aan een literair begaafde buitenstaander, zoals Nuis.

Een verbetering van de efficiency is tegen de achtergrond van deze uitgangspunten zeer wel mogelijk, maar deze dient het produkt te zijn van de besluitvorming bij de universiteit zelf. De minister van Onderwijs kan bij dit proces een constructieve rol spelen, als hij niet alleen kennis vergaart omtrent de kosten van het hoger onderwijs, maar ook een visie ontwikkelt omtrent de baten van universitaire opleidingen voor studenten en samenleving. Het ministerie is er voor en niet tegen onderwijs en wetenschappen.

De beste dienst die Ritzen en het parlement de universiteiten kunnen bewijzen, is het aanbieden van een moderne bestuursstructuur, waardoor de vooral door de PvdA in gang gezette experimenten uit de jaren zeventig aan de kant worden geschoven.

Een soortgelijke aanpak is geboden voor het vraagstuk van de studiefinanciering. Het lijkt voor de hand te liggen over te stappen op een stelsel van leningen. Een dergelijk stelsel dient de vrucht te zijn van zorgvuldige besluitvorming, waarbij onder meer moet worden beoogd de transactiekosten van de uitvoering van een dergelijk stelsel, alsmede de kans op fraude zo klein mogelijk te maken. Zolang hieromtrent geen helderheid bestaat, is het onaanvaardbaar de studenten op te zadelen met een verhoging van collegegelden.

Dit klemt te meer nu zij door het beleid-Kok worden geconfronteerd met een daling van de kwaliteit van het onderwijs, die haaks staat op de aangekondigde grootscheepse investering in kennis en technische ontwikkeling.

De studenten verdienen massale steun bij hun streven de kwaliteit van het onderwijs en het beoefenen van wetenschap te verbeteren en het verhogen van het collegegeld te verhinderen. Daarin past ook dat zij meedenken over een verstandige verdeling van het aanbod van belangstellenden voor het hoger onderwijs over de wetenschappelijke instellingen en het hoger beroepsonderwijs.

Dan komt ook de weg vrij voor het afschaffen van het dwaze puntensysteem waarbij studenten voor lijvige bedlectuur à la Mallets biografie van George Sand zestig punten en voor de in 1920 door Einstein in Leiden uitgesproken lastige oratie van vijftien bladzijden over 'Aether und Relativitätstheorie', twee studiepunten krijgen toegekend. Hebben Kok, Zalm en Ritzen wel voldoende oog voor de transactiekosten van hun beleid, dat studenten noopt tot het aanvaarden van allerlei baantjes onder meer in de sfeer van de prostitutie? En dan heb ik het nog niet over de verloedering bij het voortgezet onderwijs, waar de grootschaligheid niet alleen de kwaliteit van het onderwijs onder druk zet, maar het gebrek aan sociale controle racisme en misdadigheid bevordert.

Het is nog niet te laat het roer radicaal om te gooien. De overheid zal moeten koersen op kwaliteit, verscheidenheid moeten bevorderen, de universiteit moeten koesteren als een smeltkroes van buitenbenen en bovenal als de ultieme vormgeving van de onbelemmerde drang van mensen in volle vrijheid te zoeken naar het verklaren van de werkelijkheid. Dat finale oogmerk is te belangrijk om het uitsluitend aan de markt over te laten, ook al zijn er vruchten van wetenschappelijk onderzoek die op de markt kunnen worden verkocht.

Wie alleen oog heeft voor verkoopbare vruchten, heeft het wereldbeeld ingesnoerd tot de calculeerbare werkelijkheid en het zicht verloren op de niet-calculeerbare werkelijkheid, die evenzeer door de universiteit in kaart moet worden gebracht. Kok en Ritzen kunnen zich evenmin als Nuis onttrekken aan de zegswijze: met een bord voor je kop raak je vanzelf achterop.

LATEN wij hopen dat zij de weg vrij maken voor universiteiten nieuwe stijl, wortelend in eeuwenoude academische waarden, gedragen door kwalitatief hoogwaardige studenten, docenten en bestuurders en derhalve voorbereidend op de immense eisen, die het leven in de volgende eeuw aan de burgers stelt.

A. Heertje

De auteur is hoogleraar staathuishoudkunde aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam.

Meer over