Universiteit heeft bestaansrecht

Universiteiten verzorgen voornamelijk beroepsopleidingen en moeten daarom worden samengevoegd met het hbo, vindt Frans Leijnse. Volgens Theo van Els heeft een academische opleiding wel degelijk meerwaarde en lijkt samenwerking productiever....

ZIJN de universiteiten 'verworden' tot instellingen voor hoger beroepsonderwijs? Frans Leijnse, die afgelopen maandag sprak bij de opening van het academisch jaar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, lijkt die mening toegedaan. Het merendeel van de studenten, zo constateert hij, komt al lang niet meer naar de universiteit om geschoold te worden in de wetenschap, maar beschouwt de universitaire opleiding als een opstap naar de hoger gewaardeerde - en beter betalende - functies in de maatschappij.

De doctorandus-titel, formeel bedoeld voor 'degene die doctor wil worden', is maar voor een kleine groep de eerste stap op weg naar de promotie. Zo, aldus Leijnse, leidt de universiteit nauwelijks op voor de wetenschap maar voor het grootste deel voor andere beroepen in de maatschappij. En daarin onderscheiden ze zich niet van de hogescholen.

Met Leijnse stel ik vast dat de meeste studenten na hun studie niet voor de wetenschap kiezen. Aan onze universiteit bijvoorbeeld stromen jaarlijks ruim tweeduizend eerstejaars in, terwijl het aantal afgestudeerden dat aan een promotie begint minder dan vierhonderd bedraagt. Aan andere universiteiten zijn de verhoudingen niet veel anders.

Inderdaad verlaat 80 tot 90 procent van hen de universiteit 'om er nooit meer terug te keren' (Leijnse). Zij komen terecht in maatschappelijke beroepen. Daar heb ik ook geen enkel probleem mee: de universiteit hoort wel degelijk op te leiden voor maatschappelijke beroepen; ze heeft dat van oudsher al gedaan. Maar is de universiteit daarmee als beroepsopleiding op een lijn te stellen met het hbo, zoals Leijnse suggereert? Mijn stellige overtuiging is dat dat niet zo is. Het verschil tussen wo en hbo ligt echter niet in het 'al-of-niet beroepsopleiding zijn'. Het onderscheid tussen hbo- en wo-opleidingen - ook waar het gaat om beroepsopleidingen - zit hem in het denk- en werkniveau dat in de opleiding wordt bijgebracht: academisch bij het wo en professioneel bij het hbo.

De vraag is natuurlijk waaruit dat academisch denk- en werkniveau bestaat. Als we dat willen definiëren, begeven we ons op een moeilijk pad. Het begrip lijkt een beetje op de tijd, waarvan Augustinus ooit zei: 'Als niemand het me vraagt, weet ik het; als ik het wil uitleggen aan iemand die het vraagt, weet ik het niet.' Toch een poging. Cees Schuyt onderscheidde in zijn rede ter gelegenheid van de opening van ons academisch jaar 1998-1999 vier bestanddelen die te zamen een academisch denk- en werkniveau bepalen.

Achtereenvolgens: het beschikken over intellectuele basisvaardigheden; het beschikken over ruim voldoende disciplinaire kennis op een op een bepaald vakgebied; de wil om dingen uit te zoeken en het vermogen zelf op onderzoek uit te gaan, problemen uit te zoeken en te kunnen en durven komen met een oplossing; voldoende kennis van een ander vakgebied om de relatieve bijdrage van elke afzonderlijke discipline te leren kennen en ervaren. Schuyt vervolgt: De academicus 'heeft het vermogen om al het geleerde over te dragen naar nieuwe situaties en mee te nemen naar verschillende contexten.'

Als dat waar is - en ik denk dat dat waar is - betekent dat dat er tussen academische opleiding en beroep geen één-op-één relatie hoeft te zijn. Sterker: een te grote mate van specificiteit verhoudt slecht met de eis tot academisch denk- en werkniveau.

Men kan zich afvragen of alle opleidingen binnen de universiteiten zo'n academisch denk- en werkniveau ook daadwerkelijk 'brengen'. Leijnse betwijfelt dat. Hij spreekt over opleidingen van (voorheen) de Technische Hogescholen, de Landbouwhogeschool en de Economische Hogeschool die - 'met een vleugje academische vorming en training in wetenschappelijk denken' - universitaire status hebben verkregen, maar in feite uitstekende beroepsopleidingen zijn. Zonder me over deze opleidingen uit te laten, durf ik de stelling aan dat de universitaire opleidingen het academisch denk- en werkniveau wel degelijk bijbrengen. Mijn stelling wordt ondersteund door het oordeel van de visitatiecommissies die het wetenschappelijk onderwijs het afgelopen tien jaar hebben bezocht.

Natuurlijk, er zijn gradaties, afhankelijk van de discipline, afhankelijk ook van de - vaak wisselende - eisen die beroepenvelden aan de opleidingen stellen. Maar dat er opleidingen zijn die in mindere mate aan deze eis voldoen, rechtvaardigt niet dat alle opleidingen over een kam worden geschoren, zoals Leijnse doet.

Onderzoek naar de arbeidsmarktsituatie van afgestudeerden - de zogenaamde hbo- en wo-monitoren die de laatste jaren zijn verschenen - laat zien dat werkgevers in hun aannamebeleid nog steeds een onderscheid maken tussen hbo- en wo-afgestudeerden. De arbeidsmarkt heeft behoefte aan onderscheiden soorten opgeleiden. Leijnse erkent dit. Hij ziet een ontwikkeling naar meer differentiatie binnen het hoger onderwijs: een bredere, maar ook in de diepte meer gedifferentieerde waaier van opleidingen.

Ook de voorzitter van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, Rien Meijerink, maakte gewag van deze visie in zijn rede ter gelegenheid van de opening van het studiejaar aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Cruciaal is hoe we aan deze vraag van de maatschappij naar een meer gedifferentieerd palet aan hoger onderwijs het best tegemoet kunnen komen. En dan werken discussies over stelselwijzigingen en fusies slechts contra-productief.

Belangrijke belemmeringen voor een meer gedifferentieerd stelsel van hoger onderwijs, zo stelt Leijnse, liggen nog altijd in de statusverschillen tussen universiteiten en hogescholen. Precies. En mijn zorg is nu net dat de emoties die in het verleden altijd de discussie over de verhouding tussen hbo en wo hebben overheerst, ook nu weer een grote rol gaan spelen: angst voor het verlies van traditionele taken die in het verleden sterk de wo-reactie heeft bepaald, drang tot statusverhoging die symptomatisch was voor het hbo-kamp. Juist de roep om stelselwijziging doet deze emoties weer opvlammen. Samenwerking tussen hogescholen en universiteiten - zoals de Katholieke Universiteit Nijmegen en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen nu op touw zetten, beide vanuit hun eigen 'missie' - is veel productiever.

Meer over