Unctad-jubileum is geen reden voor een feestje

Ooit was de Unctad, de VN-organisatie voor handel en ontwikkeling, een belangrijke speler in de handelspolitiek. Maar nu is zij vooral een praatclub, die het zonder machtsmiddelen moet doen....

Van onze verslaggever Olav Velthuis

Ontnuchtering. Teleurstelling. En aanbevelingen waarvan volstrekt onduidelijk is wie ze gaat opvolgen. Dat is wat een conferentie van de VN-organisatie voor handel en ontwikkeling (Unctad) doorgaans oplevert. Zondag begon er weer eentje, deze keer in het Braziliaanse SPaulo. De 192 landen die bij UNCTAD zijn aangesloten, praten daar de hele week over de vraag in hoeverre handelsliberalisatie de arme landen ten goede komt.

Veertig jaar bestaat de Unctad nu, maar reden voor een feestje is er allerminst. De organisatie wil een forum zijn voor het ontwikkelingsdebat en een instituut dat onafhankelijk onderzoek doet naar handel en ontwikkeling. Maar Westerse regeringen lijken de organisatie nauwelijks serieus te nemen.

'Het probleem van de Unctad is dat de organisatie geen enkel machtsmiddel heeft,' zegt Jan Willem Gunning, die als ontwikkelingseconoom aan de Vrije Universiteit in Amsterdam is verbonden. 'De macht van het geld die het IMF en de Wereldbank hebben heeft de Unctad niet. En ook aan juridische macht, die de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bezit, ontbreekt het. In de jaren zeventig had de Unctad nog de wind in de zeilen omdat haar kritische gedachte in de tijdgeest paste. Maar tegenwoordig is de Unctad bijna irrelevant geworden', constateert Gunning.

Aan mooie plannen heeft het de Unctad nooit ontbroken. Ze wilde een luxebelasting voor rijke landen, die daarmee hun begroting op orde moesten krijgen en de werkloosheid bestrijden. En ze wilde een grondstoffenfonds dat minimumprijzen zou garanderen op de wereldmarkten voor cacao, koffie, katoen, en andere producten die uit ontwikkelingslanden komen. De Unctad hekelde verder de grote invloed die multinationals op de wereldeconomie hebben. En dat de kloof tussen arm en rijk groter wordt, roept zij altijd.

Gunning: 'In het verleden had de Unctad veel weg van een actiegroep voor ontwikkelingslanden. In haar hoogtijdagen werd er nog gedacht dat alle ontwikkelingslandengemeenschappelijke belangen zouden hebben. Dat blijkt uiteindelijk fictie te zijn geweest. Bovendien zijn veel ontwikkelingslanden in de tussentijd tot de WTO toegetreden. En de laatste jaren hebben zij ook de technische expertise ontwikkeld die nodig is voor het voeren van onderhandelingen binnen de WTO. Onder andere Nederland heeft daarin geld gestoken. Dat is een goede ontwikkeling.'Dat de ministers Brinkhorst van Economische Zaken en Van Ardenne van ontwikkelingssamenwerking afgelopen weekend beide naar de conferentie afreisden, heeft dan ook vooral te maken met de WTO. Beide ministers willen in SPaulo 'inspelen op het nieuw ontstane momentum voor de succesvolle afronding van de Doha-ronde'; de grote WTO-ronde die vorig jaar in Cancun vastliep, zo laat minister Van Ardenne weten. En Unctad zelf? Van Ardenne: 'Unctad zou effectiever en resultaatgerichter moeten zijn. Als de organisatie nog niet bestond, dan zou zij nu niet meer opgericht worden. Er is veel doublure met andere instellingen. Maar het is moeilijk om een bestaande internationale instelling af te schaffen.'

Niet iedereen is zo defaitistisch. Sander van Bennekom, die als beleidsmedewerker van ontwikkelingsorganisatie Novib aan de conferentie deelneemt, laat uit SPaulo weten wel wat te verwachten van de Unctad.

'Het informele karakter van de conferentie, en het feit dat je hier niet aan verregaande verbintenissen vastzit, zou het eenvoudiger moeten maken om tot aanbevelingen te komen', stelt Van Bennekom. 'En die aanbevelingen moeten vervolgens op hun beurt hun weerslag krijgen in de handelsverdragen.'

Meer over