Uitbreiding betekent nog geen versterking van NAVO

Maar liefst negen landen hopen volgend jaar te worden toegelaten tot de NAVO. Kees Homan en Bert Kreemers betwijfelen of de huidige lidstaten het eens zullen worden over de criteria....

Kees Homan en Bert Kreemers

DE betrekkingen tussen de Verenigde Staten en Europa zijn op tal van gebieden volop in beweging. Op veiligheidsgebied ontstaat langzaamaan een samenloop van drie netelige problemen. De eerste ronde van gesprekken over de invoering van een raketschild en een aanpassing van het Amerikaanse veiligheidsbeleid zijn net achter de rug.

Het tweede gevoelige onderwerp in de veiligheidsbetrekkingen tussen Washington en de Europese hoofdsteden sluimert nog op de achtergrond. Het betreft de Europese plannen voor een autonoom in te zetten strijdmacht van meer dan 60 duizend militairen, plannen die tot nu toe op schoorvoetende Amerikaanse instemming kunnen rekenen. De komende tijd moeten deze Europese ambities concreet vorm krijgen. Gebeurt dat niet, dan zal de Amerikaanse steun weer afkalven.

Een derde twistappel vormt de uitbreiding van het bondgenootschap. Na de toetreding van Hongarije, Polen en Tsjechië moet volgend jaar een besluit vallen over een tweede ronde met nieuwe lidstaten. Maar liefst negen landen: Albanië, Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Macedonië, Roemenië, Slowakije en Slovenië, dingen naar het NAVO-lidmaatschap.

Tussen de Europese landen bestaat geen overeenstemming over wie voor het NAVO-lidmaatschap in aanmerking komen. Frankrijk kiest voor Roemenië, Italië voor Slovenië, Duitsland voor Slowakije en Slovenië en Denemarken maakt zich sterk voor de drie Baltische staten. De Tsjechische president Vaclav Havel heeft zich ook uitgesproken voor opname van de Baltische landen (Forum, 16 mei). Maar wat de voorkeuren van de Europese landen ook mogen zijn, het oordeel van de Verenigde Staten is zonder twijfel doorslaggevend.

De toelating van Hongarije, Polen en Tsjechië in 1997 viel samen met een fundamentele verandering van van de NAVO. Hun lidmaatschap markeerde de overgang van een verdedigingsorganisatie naar een veiligheidsgemeenschap met een veel grotere nadruk op conflictpreventie en conflictbeheersing in Europa, over de grenzen van het NAVO-verdragsgebied heen. Bij de volgende uitbreiding zijn daarom nog preciezere politieke, militaire en strategische criteria dringend nodig.

Maar de vraag is of zo'n objectieve, voorspelbare en geloofwaardige toelatingsprocedure voorhanden is. Waarschijnlijk is uitsluitend Slovenië in alle opzichten gekwalificeerd om tot de NAVO toe te treden. Maar het tot één land beperken van de tweede uitbreidingsronde strookt niet met het 'open deur'-beleid van de NAVO.

Bovendien roept het hanteren van zulke zware toelatingseisen vragen op over landen als Griekenland en Turkije, die zelf aan zulke eisen niet voldoen. Het loslaten van een stringente toelatingsprocedure betekent echter dat kandidaten met een uiterst geringe militaire meerwaarde voor de NAVO of een nog niet onbesproken democratische staat van dienst ook lid kunnen worden van het bondgenootschap.

Het wijder openzetten van de deur naar lidmaatschap is ook in twee andere opzichten niet onomstreden. In de eerste plaats leert de toetreding van Hongarije, Polen en Tsjechië dat integratie in de NAVO een langdurig en pijnlijk proces is. De politieke winst van het lidmaatschap weegt voor deze landen klaarblijkelijk zwaarder dan het op orde brengen van hun strijdkrachten.

Zo zetten deze nieuwe leden veel verder het mes in de omvang van hun krijgsmachten dan bij hun toetreding was afgesproken. Daarnaast lopen in het vooruitzicht gestelde aanpassingen en moderniseringen grote vertragingen op.

Hongarije verwacht pas over vijf tot acht jaar in staat te zijn militaire eenheden naar behoren in NAVO-verband in te kunnen zetten. Tsjechië en Polen spenderen een groot deel van het voor investeringen beschikbare geld aan materieel dat moeilijk inpasbaar is in de gezamenlijke militaire NAVO-organisatie. De modernisering van de Russische MIG-29 gevechtsvliegtuigen van de Poolse luchtmacht is in dit verband een teken aan de wand.

In de tweede plaats is het de vraag of de NAVO door het toenemende aantal lidstaten niet verder van karakter verandert. Dat geldt vooral voor het lidmaatschap van de Baltische landen, een voor Moskou gevoelig punt. Hoewel Moskou met grote regelmaat wordt voorgehouden dat Rusland geen vetorecht heeft bij de uitbreiding van de NAVO, is met name Duitsland uiterst gevoelig voor de reactie van Rusland. De uitwerking van het lidmaatschap van een of meer Baltische landen op de verhoudingen tussen de NAVO en Rusland mag niet worden verontachtzaamd.

Een gestage uitbreiding van de NAVO roept tenslotte vragen op over de verhouding tussen de meer en meer op conflictpreventie en -beheersing gerichte NAVO en het zich langs dezelfde lijnen ontwikkelende Europese veiligheids- en defensiebeleid. Het ongetwijfeld moeizame zoeken naar consensus over de toetreding van nieuwe NAVO-lidstaten heeft onvermijdelijk een uitwerking op de voortgang van een gemeenschappelijk Europees veiligheidsbeleid.

Moeizame compromissen bij de aanwijzing van de volgende kandidaat-leden bevorderen de stabiliteit van de NAVO niet. Hetzelfde geldt voor de uitbreiding van de Europese Unie. Het is dan ook beter bij de uitbreiding van de NAVO en de Europese Unie zoveel mogelijk naar overlapping te streven. Anders krijgt Europa straks te maken met een veiligheidsorganisatie die driekwart van de lidstaten van de Europese Unie omvat, terwijl de resterende EU-leden door de Verenigde Staten en de Europese NAVO-bondgenoten buiten de deur worden gehouden.

De rol van de Verenigde Staten zal in de steeds groter wordende kring van Europese bondgenoten veranderen. Dit zal onherroepelijk tot spanningen leiden tussen de Europese NAVO-bondgenoten die tevens lid zijn van de Europese Unie en de overige lid-staten van de Europese Unie, maar zet ook de transatlantische band onder druk. Bij de komende uitbreiding gaat het dan ook meer dan ooit om de toekomst van het atlantisch bondgenootschap.

Kees Homan en Bert Kreemers zijn verbonden aan het Instituut Clingendael.

Meer over