Uit wandelen met een schilpad

De tweede helft van de negentiende eeuw staat in de Nederlandse kunstnijverheid te boek als 'de lelijke tijd' - een periode waarin de burgelijke smaak een ratjetoe van voorkeuren vertoonde....

De kunst is lang, het leven kort. Hippokrates' aforisme staat in sierlijk schrift te lezen op de expositie De lelijke tijd. Die titel klinkt polemisch en zelfs oneerbiedig. Het tijdperk tussen 1835 en 1895 is in de Nederlandse kunstnijverheid 'de lelijke tijd'.

'Dat huis is ingericht met meubilair uit de lelijke tijd.' Zo werd tot voor kort een huis afgedaan als het meubels bevatte uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Het is het uitgangspunt van een spectaculaire winterexpositie in het Amsterdamse Rijksmuseum, een tentoonstelling van meubelen, zilver, glas, textiel en keramiek, objecten die al jaren liggen opgeslagen in museumdepots en op zolders van herenhuizen en kastelen. Daardoor werd 'de lelijke tijd' steeds meer ook 'de onbekende tijd'.

Twintigste-eeuwse critici waren van mening dat het de negentiende eeuw ontbrak aan enige stijl. Het is de periode van het historisme, de tijd van de neo-stijlen. Mengvormen, kunstvoorwerpen geïnspireerd door verschillende vroegere stijlen, getuigden niet van goede smaak.

Het tijdperk van de neo-stijlen waren het gevolg van wat Rémy G. Saisselin in het voetspoor van Edmond De Goncourt bricabracomania heeft genoemd: een soort kunst-boulimie. De gebroeders De Goncourt beschreven in 1880 in de catalogus van hun kunstcollectie, La maison d'un artiste, de uitgesproken voorliefde in hun tijd voor bibelots. Het was in hun ogen 'een ziektebeeld van de bourgeois', die alle ennui en alle ongemakken van de moderne tijd compenseerde door het verzamelen van snuisterijen en exquise kunstvoorwerpen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw openden de grands magasins hun deuren. De lelijke tijd laat ons, gewild of ongewild, iets van die 'warenhuisformule' zien. In vitrines en op verhoginkjes staan meubels, zilverwerk, keramiek en andere pronkstukken van Nederlandse interieurkunst uitgestald. Het heeft iets van een koninklijke Bon Marché, het paleis van koning Willem II. De Nederlandse koning Willem II was een groot liefhebber van de neo-gotiek. Hij liet zijn paleis aan de Haagse Kneuterdijk met gotische gebouwen uitbreiden. De Gotische Zaal bestaat nog steeds. Op de expositie hangen enkele zeldzame aquarellen van die interieurs.

Voor De lelijke tijd is de inzending voor de Wereldtentoonstelling van 1867 in Parijs gereconstrueerd: een indrukwekkende uitstalling van zilverwerk van Van Kempen. Het herinnert aan de typisch negentiende-eeuwse nijverheidstentoonstellingen waarop ambachtslieden en kunstenaars met elkaar wedijverden en hun nieuwste werken toonden. Ze maakten speciale 'tentoonstellingsstukken': rijk met inlegwerk versierde meubelen, zilveren bokalen, internationaal zeer gewaardeerd Nederlands lakwerk en beroemde Deventer tapijten.

De eerste Wereldtentoonstelling in 1851 in het Londense Crystal Palace was voor Nederland nog een lijdensweg. De bemoeienis van de regering was bij de eerste tentoonstelling zo gering en de financiële armslag zo ontoereikend dat de jonge secretaris van de voorbereidingscommissie nog voor de opening in wanhoop op zijn hotelkamer in Londen zelfmoord pleegde.

Parijs was in de negentiende eeuw 'een wemelende stad', schreef Charles Baudelaire, 'een stad vol dromen'. Rond 1840 getuigde het nog van goede smaak om met een schildpad in de passages te gaan wandelen, dè plek voor kooplustige bourgeois op zoek naar bibelots. Het Tweede Keizerrijk was een turbulente wereld van wisselende modes, burgerlijke smaak en bohémien-achtige originaliteit.

De negentiende eeuw was de eeuw van de Parijse bourgeois en flaneur en van de Weense Biedermeier. In Parijs zag je de Baudelairiaanse moderniteit maar in Wenen 'de idylle van de huiselijke sfeer'. Schilderijen van Gustave Caillebotte zijn portretten van de Parijse slenteraar, de in zichzelf gekeerde wandelaar op de boulevards. Zijn paraplu is als een beschermend foedraal, hèt rekwisiet van de flaneur. Caillebotte schilderde ook interieurs. In de negentiende-eeuwse stad was er geen geborgenheid meer, wellicht zocht de Parijzenaar daarom compensatie onder zijn regenscherm of binnen de vier muren van zijn woning - die typische bourgeoisinterieurs met hun opzichtige behang en protserige bibelots.

Misschien toont de hernieuwde belangstelling voor interieurkunst uit 'de lelijke tijd' of uit de Biedermeiertijd, zoals eerder dit jaar in Schoonheid en Burgerzin in het Noordbrabants Museum, een eigentijdse Biedermeier-mentaliteit. Huiselijkheid lijkt in onze dagen te herleven. Het is een terugkeer naar een tijd waarin de nadruk lag op waarden als gezin en interieur, verfijning en goede smaak, als reactie op de onrustige samenleving. Het leven binnenhuis vormt de idyllische tegenhang van de rauwe werkelijkheid daarbuiten.

'Als een van de verklaringen van het historisme in bouw- en interieurkunst', meent Reinier Baarsen over de Nederlandse neo-stijlen in de catalogus van De lelijke tijd, 'wordt doorgaans een heftige reactie na de verschrikkingen van de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen genoemd.' De reactionaire politiek van het Weense Congres (1814 - 1815) herstelde de oude monarchieën en sociale verhoudingen. Dat vond zijn weerklank op artistiek gebied. In Duitsland, zegt Baarsen, verwees de gotische stijl naar het feodale verleden waarnaar de hogere standen terugverlangden. In Frankrijk bracht de restauratie van de Bourbon-monarchie een herleving van de Lodewijk-stijlen mee. In Nederland lijkt aan de vroege fase van het historisme echter geen nationale gedachte ten grondslag te hebben gelegen. De voorliefde van koning Willem II voor de gotiek had hij vermoedelijk tijdens zijn studie in Oxford opgedaan.

De studeerkamer van Simon van Gijn, een olieverf uit 1888, toont een typisch verzamelaarsinterieur. Het schilderij van Egbert Henricus Schoenmaker, een van de interieurstukken op de expositie, weerspiegelt de zuiver historische stijl. Het vertrek is wellicht geïnspireerd op een aantal stijlkamers die Van Gijn bij bezoeken aan buitenlandse musea had gezien. De kamer is opgebouwd uit oude bouwfragmenten, net zoals Cuypers' Rijksmuseum, en ingericht met antieke meubelen en kunstvoorwerpen.

In een vitrine ligt een van de aquarellen die Herman Frederik Carel ten Kate in opdracht van koningin Sophie maakte van haar paleis aan het Plein, het voormalige logement van Amsterdam. Sophie's bibliotheek is zo'n typische interieuraquarel die aan vorstenhoven en ook daarbuiten in groten getale werden vervaardigd en iets van de rijkdom lieten zien in kastelen, paleizen en herenhuizen. Het is een mengelmoes van stijlen: de grote, dominerende boekenkast kan - gelet op de stijlkenmerken - niet lang vóór 1849 zijn gemaakt; de kleinere kasten hebben laat-biedermeier vormen; de stoel en gondole achter de vleugel is van een empire-type en de twee stoelen bij de tafel hebben rococo-vormen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw was het scala van stijlen onuitputtelijk. In geen enkel interieur mochten Franse Lodewijk-stijlen ontbreken, nu ook weer de kunst uit de achttiende eeuw in de mode was. Zulke meubelen en vooral zilverwerk vormen de ruggegraat van de expositie, omdat juist op die gebieden in Nederland veel is gepresteerd. Pierre Cuypers, de architect van het Rijksmuseum, speelt een grote rol op de tentoonstelling. Hij is misschien wel de meest uitgesproken kunstenaar van de negentiende-eeuwse 'lelijke tijd'.

Het Rijksmuseum maakte geen reconstructie van interieurs. Die zijn op prenten en schilderijen afgebeeld. De tentoonstelling, die lang miskende kunstvoorwerpen 'herwaardeert', is buitengewoon mooi vormgegeven. Industrieel ontwerper Ulf Moritz, die de expositie heeft ingericht, wil de bezoekers verrassen. 'Dat je van de ene verbazing in de andere valt.' De stukken zijn gegroepeerd, telkens in een ander decor, onderling in sfeer en licht van elkaar onderscheiden. 'Een feestelijke partij neo-rococo meubelen is heel anders dan de ingetogen, krachtige soberheid van Cuypers' ontwerpen', vindt Moritz. Maar tegelijk krijg je, bij elke groep, uitzicht op een ander onderdeel dat nog in het verschiet ligt.

Het is een spannende presentatie. 'Wie had gedacht dat de strenge Hollanders ten tijde van het neo-rococo tot zo'n decadente overdaad in staat waren', zegt Moritz. Zelf houdt hij het meest van Cuypers' stijlinterpretaties. 'De ambachtelijkheid en de verfijning straalt ervan af.' De lelijke tijd, in een gebouw dat door Cuypers' eclectische fragment-architectuur zelf een onderdeel is van de tentoonstelling, toont hoe in de negentiende eeuw juist die ambachtelijkheid en verfijning zo'n grote rol speelden.

De lelijke tijd. Van 25 november tot en met 31 maart in het Amsterdamse Rijksmuseum. Catalogus ¿ 95,-.

Meer over