Uit de schaduw van een potentaat

'Misschien heb ik niet genoeg ruzies met hem gehad. 'Hommage aan God-Vriend-Boeman? Over een halve eeuw Van Oorschot, de rampzalige boekenberg en vampier-politiek met debutanten....

BEN HAVEMAN

NIET DAT hij er geregeld toe komt om het ivoor te laten klotsen, maar wegdoen, nou nee. Onder de nok van het huis aan de gracht staat een nagelaten biljart. Naast een groot bed. Het bed van Wouter van Oorschot. 'Als ik in de stad nou een leuk mens tegenkom', zegt Wouter peinzend, 'kan ik natuurlijk vragen om bij mij thuis een potje te komen biljarten. En na een tijdje voorstellen: zo, en dan gaan we nu maar over op de korte keu.'

Boven het erfstuk van uitgever Geert van Oorschot zie je weer diens sigaredamp (Balmoral) en die eeuwige lavallière (zwart) bij de adamsappel. Vier jaar voor zijn dood werd Geert van Oorschot gek van Linda van Dijck. Ze speelde tante Coleta in de verfilming van Twee vorstinnen en een vorst, naar het succesboek van Van Oorschots alter ego R.J. Peskens.

In een brief aan haar: 'Weet je, dat ik mij nauwelijks meer voor de geest kan halen hoe je er uit ziet; hoe je loopt, hoe je borsten met voorzichtige puntjes tegen je blouse ronden; weet je, dat ik nauwelijks je stem meer kan horen en de rimpeltjes om je ogen kan zien als je lacht, en weet je dat je in die lange warme zomer niet één keer schuldeloos en in diep vertrouwen op mijn ligstoel in slaap bent gevallen?

'En weet je dat de zwarte bessen niet zijn geplukt dit jaar, omdat ik alle andere vrouwen verboden heb om ze te plukken, omdat het jouw zwarte bessen waren? En de gulden roede is uitgebloeid. En de paarse, de donkerpaarse herfstaster heb ik je al 2 keer willen brengen, met een bos te groot voor je trap. Maar ik durfde niet, omdat ik bang ben dat je niets meer van mij weten wil.'

In de schaduw van Geert van Oorschot? Wouter: 'Als je het over schaduw hebt dan moet ik zeggen dat Geert nogal eens met een knoestige eik is vergeleken. Dan komt daar mijn boompje naast. Als er een grote schaduw staat, dan raakt dat boompje er door vervormd want dat zoekt het licht op. Niet dat ik ben scheefgegroeid, maar ik heb wel grillige takken, denk ik. Dominante ouders tekenen je. Dat is ook het enige rode boekje dat gerechtvaardigd is, de ouderlijke macht. Daar word je door gevormd. Ik ben, dat kan ik veilig zeggen, geen rechtlijnig denkend mens geworden. Al was er een tijd dat ik zwoer alles te zullen doen behàlve de uitgeverij voortzetten.

'De vogel moet eerst van het nest vliegen, dat cliché. Maar toen ik eenmaal zelf begon te lezen, drong het langzamerhand tot me door dat dit niet het eerste het beste uitgeverijtje was. Nee, ik ben niet meer met hem in gevecht. Alleen: misschien heb ik niet genoeg ruzies met hem gehad, denk ik wel eens. In elk geval, als ik die vergelijking met die boom gebruik dan moet ik zeggen dat mijn stam nog tamelijk recht geworden is.

'Vasalis schrijft over Geert: ''Als hij een blad geweest was, zou hij tot de diepgelobden gerekend worden. Grote, ver ingekerfde bladeren...'' Ja, een diepgelobd blad laat ook veel licht door, toch?'

Boven het kantoor verkeert een feestboeket inmiddels in staat van verdorring. Een halve eeuw Uitgeverij van Oorschot, gevierd in de Stadsschouwburg, levert voor lezers de sappige Vlissingse verhalen van Peskens op. Ook in de tweede druk zitten vijftig cadeaubonnen verstopt; met als hoofdprijs Van Oorschots complete Russische bibliotheek. En dan is er natuurlijk de selectie uit 15 duizend brieven die Van Oorschot naliet. Compleet uitgegeven zou die hoeveelheid neerkomen op dertig delen dundruk. 'Ondoenlijk, maar een literair-historische goudmijn! Daar moet toch ooit een gestudeerd boek uit komen?'

Zo'n project, taxeert Wouter, vergt minstens drie deskundige hoogleraren Nederlands die het archief laten uitpluizen door getalenteerde studenten. 'Reken daar rustig vier, vijf jaar voor. Dat kost alleen al een paar miljoen gulden voordat er maar één letter van zo'n wetenschappelijk verantwoorde leeseditie naar de zetterij gaat. We moeten dus fondsen werven en dat doen we dan met de brievenselectie als visitekaartje in de hand.'

In de naam van de vader.

Eerst was er de God, toen was er de Vriend en toen de Boeman. In die volgorde. 'In de laatste periode van zijn leven werd het contact met mijn vader steeds onaangenamer. Tegen Martine, mijn ex, zei Geert dat een vriend van ons niet deugde. Zolang we met hem bleven omgaan, moesten we maar niet meer bij Geert thuiskomen. Dat ging ons te ver. We zijn er ook niet meer geweest. En twee weken later kregen we een envelop met alle foto's en tekeningetjes van onze twee kinderen terug die hij in de loop der tijd naast zijn bed had vastgespeld. Briefje er bij: die hoef ik niet meer, nu ik mijn kleinkinderen niet meer zie.'

Zo'n vader.

Een man die zijn ontroering niet verborg bij het beluisteren van Mozart of Bartok, ook al had hij vergeten de grammofoon op het juiste toerental af te stellen. Die in Drenthe als jeugdig propagandist van de klassenstrijd nog scharen arbeiders vanaf een automobiel had gewaarschuwd voor het gif van alcohol, na zichzelf een stevige borrel te hebben ingeschonken. Waar de Zeeuw Van Oorschot verscheen, bleek op slag elke ruimte gevuld. Zijn stem schalde door het huis aan de Herengracht wanneer Van Hattum, Reve, Morriën, Hanlo en andere schrijvers over de vloer kwamen. Bruisende avonden, met veel drank en gonzende discussies.

Op z'n kamertje, waar nu het biljart staat, concludeerde Wouter (43 nu) dat het altijd vol was in huis; Jacques de Kadt en Johan Polak hadden een kamer ondergehuurd. De dynamische uitgeversbezigheden van zijn ouders Hillie en Geert kwamen hem raadselachtig voor. Totdat hij De donkere kamer van Damokles van Hermans las. En Voskuils Bij nader inzien.

'Dat kwam doordat ik drie dagen lang naar de keuken werd gestuurd als ik honger had. Zelf m'n brood moest pakken. Geert en Hil lagen al die tijd in bed, namen elkaar de velletjes uit het grote manuscript van Voskuil uit handen en hielden niet meer op met lezen. Een boek dat bewerkstelligde dat ik drie dagen brood heb moeten eten, dat moest wel wat wezen. Ik lezen. Die eerste keer heb ik er geen moer van begrepen. Twaalf jaar was ik. Ik las boeken als Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen. En Annie Schmidt.

'Dat ik de link kon leggen tussen goed geschreven boeken en mijn ouders, kwam vooral door het ezelsproces tegen Gerard (van het) Reve. Het hele huis gonsde van de spanning. Bovendien waren Hermans en Reve net doorgebroken. Vijftien jaar geen cent verdiend met hun boeken, terwijl Geert hen maar bleef uitgeven en aanmoedigen. Zakelijk gezien kwam het bedrijf ook nog op z'n pootjes terecht. De hele Russische bibliotheek was al in een aparte NV gestopt, om te voorkomen dat de rest van het bedrijf mee naar de kelder zou gaan. Tot 1970 hebben ze rood gestaan bij de leveranciers.

'''Mijn bedrijf is een volstrekt onherhaalbaar program'', riep Geert altijd. ''Dat moet met mij maar ophouden te bestaan.'' Dat was natuurlijk ook een soort koketterie. Toen Gemma Nefkens en ik eenmaal directeur waren, hield hij ons drie vuistregels voor: klein blijven, dan blijf je onafhankelijk; alleen uitgeven wat je zelf de moeite waard vindt, en drie: het mooiste kattenboek aller tijden kan bij Van Oorschot niet verschijnen. Na zijn dood hebben Gemma en ik geen seconde gedacht: zou Geert dit of dat boek wel goed hebben gevonden.

'Misschien zou hij wel mesjogge zijn geworden door zo'n op de millimeter uitgefilterd egodocument als dat van Frida Vogels. Het is een boek dat je rekenschap dwingt af te leggen van je eigen leven.'

Wouter van Oorschot noemt zichzelf een ongedisciplineerd mens. Een oude piano in zijn woonkamer belichaamt zijn conservatoriumtijd. Toen hij begreep dat hij nooit musicus op solisten-niveau zou worden, rijpte het idee om als muziekleraar middelbare school-leerlingen de roots van popmuziek bij te brengen: vanzelf uitkomend bij amusementsmuziek, opera; terug in de tijd. Maar de muziektheoretische kant kwam hem de neus uit. Hij tripte op lsd en Jimi Hendrix, ging in een kraakpand wonen. Werd conciërge op de lagere school. Onthechting aan de God. 'Je moet je eigen God worden, zal ik maar zeggen.' Het waren de jaren van de messias Bob Dylan.

Op de Sociale Academie hadden de marxistische diehards een kwaaie aan hem. De mode dat klassenstrijd in het lespakket geïntegreerd moest worden beantwoordde hij met wolken van joints en met Idee nummer Eén van Multatuli: niets is geheel waar en zelfs dat niet. 'De hele club hebben ze het diploma gegeven om er maar van af te zijn. Ik ben op die academie alleen maar a-socialer geworden.' Na een vergeefse poging om hartje Amsterdam aan een jongerencentrum te helpen als dam tegen oprukkende gokhallen, begon hij als pakknecht bij zijn vader.

Zelfs geen kans gekregen om fouten te maken. Alles hield hij in de gaten, de ouwe. Om stapelcrazy van te worden. Dus met slaande deuren weg, vrouw en kind mee. Een beetje aangerotzooid. Nee, die periode bewaart hij voor zijn boek. Dat gaat vooral over zijn acht jaar oudere broer die hij haast nooit zag. Guido de niet-broer die op z'n negentiende zelfmoord pleegde - deels om een meisje. 'Pas in 1975 heb ik ontdekt waarom ik zo aan Dylan verslingerd was. Die was ongeveer even oud als Guido. En mijn verlangen om muziekleraar te worden en later jongerenwerker, spruit voort uit de gedachte dat ik op mijn manier wel een soort broer zou kunnen zijn voor jongeren. De broer die ik zelf gemist had.'

In de stad kwam hij mensen tegen die vroegen: ben jij soms dat kleine broertje van Guido? Thuis werd nooit over Guido gesproken. Hij besloot mensen op te sporen die Guido hadden gekend. 'Zo zou ik misschien de puzzel kunnen leggen die ik graag zag opgelost. Het zal me nooit de broer opleveren zoals die geweest is, maar ik zou hem dan van niet-broer weer broer kunnen maken. En dan misschien alsnog kunnen rouwen.

'Een paar jaar geleden waren mijn zoons op vakantie aan het ruziën. Toen ze samen alweer de grootste lol hadden, realiseerde ik me in een flits wat ik miste. En waarom ik dat boek nog niet had kunnen schrijven; dat het altijd bij aanzetjes was gebleven. Het zou alleen maar lukken als ik ook mijn eigen verhaal zou kunnen schrijven.

'De eerste stukken heb ik in één ruk geschreven. Voor de rest heb ik nog wel tien jaar nodig. Dat zal waarschijnlijk het enige boek zijn dat ik ooit schrijf. Want ik ben eigenlijk helemaal geen schrijver.'

In een van de brieven van Van Oorschot senior rept deze over het taaie bezoek van een zoon uit zijn eerste huwelijk, in de trant van: we zijn vreemden voor elkaar, kraste hij maar weer op. Over hem en een andere zoon uit die verbintenis, hoorde Wouter z'n vader nooit praten. 'Ik denk dat hij zich met z'n vaderschap geen raad geweten heeft, met al z'n gevoel voor melodrama. Ik maak me sterk dat hij met hen ook nooit over mij gepraat heeft.

'Godverdomme, daar wou ik het helemaal niet meer over hebben.'

Medicinale dosering gedistilleerd ('bij Geert stond altijd de jeneverfles op tafel') als intermezzo.

'Het was de tragiek van Geert z'n leven dat ie slecht met zijn emoties overweg kon. Een vulkanische man die het kabaal d'r uit spoot en aan de andere kant moest hij ook geweldig knokken om zich een plaatsje te verwerven in boekenland. Daardoor is zijn poëtische kant een beetje ondergesneeuwd. Na de dood van Guido was hij ook panisch dat mij iets zou overkomen. Zo is de rest van mijn opvoeding eigenlijk grotendeels verlamd, want ik ben natuurlijk een tamelijk verwend jongetje geworden nadien.

'Misbruik maken van die stituatie, daar was ik goed in. Mijn moeder wees me scherp terecht. Ik heb toch veel gehouden van die man. Een echte vader, een gelukkige jeugd, daardoor in staat van andere mensen te houden: die dingen.' Later: 'Twee jaar na mijn scheiding gaat het weer wonderbaarlijk goed tussen mijn ex en mij.'

Kort na de breuk kreeg Geert te horen dat hij kanker had. Nog maar een half jaar te leven. 'Vanaf dat moment zette hij hier geen voet meer over de drempel. Dàcht ik. Van anderen begreep ik dat hij hier 's zondags nog wel eens stiekem naar toe kwam vanuit z'n huis in Loenersloot.'

De man die boekhandelaren met een fles sterke drank paaide als ze maar méér boeken afnamen dan ze zelf eigenlijk wilden, is op een videoband te zien waarop hij een luxe druk van Multatuli, leergebonden, goud gestempeld, liefkoost onder de uitroep: 'Moet je voelen! Het is alsof je de slanke hals van een jong meisje streelt.' Maar enkele boeken van zijn opvolgers Gemma en Wouter konden er mee door als zesminnetje.

'Ik heb vrienden-schrijvers verloren door een bepaald geschrift niet uit te geven', schreef Van Oorschot senior. 'Daarna, vaak veel later, weten ze dat ik het goed gezien had, maar het herstel van de vriendschap dàn! Ho! maar' Van Oorschot junior kan meepraten over manuscripten, 800 per jaar, die hij en Gemma ongevraagd krijgen toegestuurd. Taalfouten, daar moet je al helemaal niet meer op letten; de zegeningen van ons onderwijs. Veel egodocumenten ook van lieden die iets ergs hebben medegemaakt. Oorlog. Incest. Geen beginnen aan om elke afzender een gemotiveerde afwijzing te sturen.

'Af en toe doen zich schrijnende manuscripten voor dat je denkt: ik ben toch geen sociaal werker? Laatst was er een man die het grootste deel van z'n leven had besteed aan onderzoek naar concentratiekampen in Nederland. Behalve Westerbork waren dat er nog zeven. Een onleesbaar boek, maar wat die man deed is wel belangrijk. Zo iemand verwijs je dan naar het RIOD - met alle respect meneer, maar u bent geen schrijver.

'Er verschijnen 40 debutanten per jaar, het ene zogenaamde meesterwerk na het andere dient zich aan. Nou is het alleen statistisch al onbestaanbaar dat er jaarlijks 40 meesters en meesteressen in de belletrie opstaan in zo'n klein taalgebiedje als het onze. Maar die worden d'r allemaal ingepompt! Heeft te maken met produktiedwang en overproduktie.' Van de ingenaaide ideetjes van Jack Spijkerman voor bij de kassa tot de belastinggids: we spreken over 10 duizend titels per jaar, alleen in Nederland. Die verschijnen in een gemiddelde oplage van twee- tot drieduizend exemplaren, dat zijn dertig miljoen boeken'

De boekenberg. Wouter van Oorschot verslikt zich van nijd haast in zijn sigaret. Twee procent van de bevolking leest meer dan vier boeken per jaar. Hoeveel boeken moeten uitgeverijen met veertig man in dienst wel uitgeven om al die salarissen te kunnen betalen? 'Mijn collega's klagen dat er te veel boeken verschijnen. Iedereen vindt dat het minder moet, maar ze vinden allemaal dat de ander daarmee beginnen moet. Logisch, anders moet je saneren, mensen ontslaan.

'Elk scheetje talent, daar springen ze bovenop. Gooien vijf mille tegen een debutant aan om hem of haar alvast te hebben. Of het iemand is die aan een oeuvre kan werken interesseert ze op dat moment amper. Als het een vrouw is en d'r zit wat erotiek in, dan heb je het tij mee, want Hilversum is zo a-kritisch als de pest. Zijn er vijf debutanten dan vind je daar een paar jaar later zeker vier terug als uitgeknepen citroenen bij De Slegte. Dat is een vampierpolitiek. Ze pakken elk jong dienstertje mee dat twee zinnen achter elkaar kan zetten. In de eeuwige strijd om die veertig salarissen te kunnen betalen. Dat vind ik bijna a-moreel.

'Onze jongste debutant is Toine Moerbeek, kunstschilder. Dubbeltalent dat prachtig schrijven kan over zijn kunstbroeders. Maar Van Oorschot is niet representatief voor de Nederlandse literatuur, daarvoor zijn we te klein. We huren de Roxy niet af, we hypen geen boek. Hebben we ook het budget niet voor. We hebben geen pr-man met een dikke auto onder zijn kont die anderhalve ton per jaar kost. We voelen niet de hete adem in onze nek van aandeelhouders.

'Het publiek laat zich ook voortdurend een oor aannaaien. Je betaalt voor een nep-gebonden boek twee tientjes meer dan voor een paperback. Het sodemietert bij het minste geringste uit mekaar omdat het niet genaaid is'. Wouter van Oorschot heeft uitgerekend dat de Frankfurter Buchmesse een jaarproduktie van een miljard nieuwe boeken oplevert ('los van de klassieken'): één boek op elke vijf aardbewoners. Terwijl het aantal vierkante meters boekhandelsruimte gestaag afneemt, neemt het aanbod toe door de goedkope pockets van een tientje tot vijftien gulden.

'Boekhandelskortingen bij afname van een bepaalde hoeveelheid werken dan ook niet meer. Franchise-ketens van boekhandelaren beginnen retour-recht te eisen (..) Van tevoren wordt al bepaald hoe lang een boek in omloop mag zijn. Als een boek binnen zes weken na verschijnen niet als de sodemieter verkoopt, dan kun je het vergeten. De goedkope pockets zijn een nachtmerrie voor de boekhandel, want die hebben dezelfde afhandelingskosten bij een veel kleinere winstmarge.

'Zo is er een gevecht aan de hand dat voortvloeit uit de heilige koe van de economische groei die de wereld naar de knoppen helpt. We zijn toch wel een keer uitgegroeid? Als kleine uitgever die niet doet aan economische groei verdenk ik westerse regeringen ervan over cijfers te beschikken hoe rampzalig en niet te stuiten die ontwikkelingen eigenlijk zijn. Types als Roel van Duijn en Lucas Reijnders, die pleiten voor de nullijn, worden uitgelachen. Maar in het jaar tweeduizend-zoveel zal blijken dat we massaal 30 procent in inkomen achteruit moeten om de kwaliteit van het leven te bewaren. Dan zijn de laatste reserves van de aarde al grotendeels op.

'Dan zijn er andere prioriteiten dan boeken, jawel. Maar nu appelleer je aan mijn eigen privé-zakenbelang. Ik denk dat er altijd gelezen zal worden. Kun jij je voorstellen dat je op vakantie onder een olijfboom zit te koekeloeren naar het beeldscherm van je lap top om Max Havelaar te lezen?'

Als Wouter van Oorschot bekommerd in Frankfurt rondloopt, besluipt hem de vraag: moeten mijn boeken daar ook nog bij?

'Ja, die moeten er ook nog bij.'

'Dat is de val waar we met z'n allen in zitten. Daar zijn toch geen woorden voor?'

En dan overhandigt hij, bijna plechtig, het brievenboek van vader Geert. De potentaat die hem uitkafferde dat hij het vak nooit zou leren. De verloren vriend, die in zijn nadagen, oud als 'een vermolmde boomstronk' noteerde:

'Bloem zei eens toen ik hem dronken op mijn schouders vierhoog naar boven bracht, hem moest ontkleden en een deken over hem heen legde: vrienden die nog ìets tegen mekaar moeten zeggen, zijn misschien wel aardig, maar voor de vriendschap deugen ze niet.'

Meer over