Tussentaal van een ontheemde

DE POEZIE van Elisabeth Eybers blijft, op het eerste gezicht, dicht bij huis. De buurvrouw die een kleedje uitklopt, de melancholie van de oudejaarsavond, een gesprek met een kleinzoon, een paar eenden in een wak; metafysisch wordt het zelden....

Toch is het niet de herkenbaarheid van die thema's waardoor de Zuid-Afrikaanse dichteres zo populair is geworden in Nederland. Ena Jansen stelt in haar boek Afstand en verbintenis - Elisabeth Eybers in Amsterdam dat poëzie niet gebaat is bij herkenning, maar bij vervreemding. De inhoud, of toch in ieder geval de vorm van een gedicht moet afwijken van het alledaagse, wil de lezer van een gedicht genieten. De gedichten van Eybers, die al sinds 1961 in Nederland woont, zijn hier niet zozeer geliefd om hun vertrouwdheid, maar om hun buitenissigheid: juist dat maakt ze volgens Jansen 'dubbel poëtisch'.

Het vervreemdende schuilt in de eerste plaats in de taal. We kunnen het Zuid-Afrikaans van haar poëzie wel lezen, maar het blijft in veler oren klinken als een 'kindertaal' door de eenvoudige grammatica met minder verbuigingen en vervoegingen. Overigens zou je ook kunnen zeggen dat die beknoptheid de taal juist extra poëtisch maakt.

Een andere hindernis is de woordenschat. Eybers gebruikt veel woorden die we niet kennen, zelfs als ze uit het Nederlands komen. Wat is bijvoorbeeld een kapperjol of ritteltit? Een dolos? Een doepa? Omgekeerd zullen haar Zuid-Afrikaanse lezers moeite hebben met woorden als ober, tentamen of agenda. Zoals de dichteres het zelf zegt: 'selfs die geringste woord wat emigreer/ moet risiko en onbegrip trotseer'.

Langzamerhand heeft zij haar eigen 'tussentaal' ontwikkeld, het is geen Nederlands maar ook niet meer zuiver Zuid-Afrikaans. In de jaren dat de dichteres in Amsterdam woont zijn vele 'nederlandismen' in haar poëzie geslopen. Puristische recensenten in Zuid-Afrika hebben daar nog wel eens commentaar op geleverd, maar Jansen wijst hen terecht. Juist Eybers' tussentaal sluit aan bij haar thematiek van ontheemding. Waar Nederlands wordt gebruikt, heeft dit een duidelijke poëtische functie.

Neem het gedicht 'Deesdae' waarin een dialoog met een kleinzoontje wordt beschreven. Zoals vaker bij Eybers, worden twee tegenpolen beschreven, jong en oud in dit geval, en wordt de onverzoenbaarheid daarvan benadrukt. Er is een beweging van toenadering en daarna weer van onvermijdelijk afstand nemen, die wordt versterkt door de taalverschillen. Het kleine kind spreekt het 'oude' Nederlands en de oma het veel jongere Zuid-Afrikaans, en ongewild maakt het kind de leeftijdskloof groter dan ooit:

Hy sê opeens het duurt nog héél héél lang

voor jij doodgaat - nog meer dan hon derd dagen.

gulheid oorskry sy rekenkunde, skraag en

vertroos ons, maak ons bly en amper bang.

Het vreemde van haar poëzie schuilt niet alleen in de taal, maar ook in de werelden waaraan zij refereert. Een nietsvermoedende Nederlandse lezer die bijvoorbeeld haar gedicht 'Augustus' leest, zal aanvankelijk raar opkijken als het daar blijkt te gaan over de winter. Omgekeerd zal de Zuid-Afrikaanse lezer niet direct weten wat een wak is, of het Vondelpark. Verwijzingen naar seizoenen, maar ook naar landschappen, plaatsnamen, vogelsoorten of sprookjes kunnen onbegrijpelijk zijn. Dat uitheemse van Eybers' taal en referentiekader maakt haar gedichten voor ons 'dubbel poëtisch', stelt Jansen. Bovendien worden de thema's van ballingschap en eenzaamheid erdoor versterkt, zoals in het gedicht 'Afstand', dat een stuk minder overtuigend was geweest in het Nederlands:

Van tyd tot tyd nog steeds die vreemde vraag:

jy - meestal u - het langsaamaan wel tuis

geraak in hierdie land?

Ek neurie nie die dag

is donker ek is ver van huis

maar knik welnemend vaag

En vals. Ek wortel elders, hoe sou ek my hier

kan tuis maak.

Haar eerste jaren in Amsterdam werden niet alleen gekenmerkt door heimwee, maar ook door onbegrip. De meeste Nederlanders zagen in elke Zuid-Afrikaan een vertegenwoordiger van de apartheidspolitiek. Eybers is zelf vooral a-politiek; ze benadrukt altijd dat ze niet om ethische, maar om persoonlijke redenen is geëmigreerd: 'Als ik echt iets had willen doen voor de zwarten, dan had ik daar moeten blijven.' In interviews, waaruit ook fragmenten in Jansens boek zijn opgenomen, probeert Eybers de situatie in Zuid-Afrika te nuanceren en verdedigt ze haar standpunt dat een culturele boycot niets oploste.

Bovendien benadrukt ze dat de apartheid een zaak van weinigen was. Toen Verwoerd in 1948 met zijn apartheidspolitiek begon, was iedereen die zij kende tegen: 'Wij moesten er eerst vooral om lachen, wij vonden dat hele idee zo krankzinnig. Zelfs mijn vader, die conservatief was, vond het niks. Die zei: Zoiets kan alleen een Hollander bedenken.' In haar poëzie gaat Eybers zelden in op de politieke situatie in Zuid-Afrika. Volgens Jansen de reden dat haar poëzie hier, dwars door iedere culturele boycot heen, zo geliefd kon worden.

Zuid-Afrika speelt wel een rol als land van haar jeugd, 'deur louter eindeloosheid ingeperk'. De weidse heuvellandschappen waarin zij opgroeide zijn te zien op de foto's die Jansen in haar boek opnam. Hoewel nauwelijks gebruikelijk in een dergelijke poëziestudie, schroomt Jansen niet haar analyses aan te vullen met de nodige biografische feiten. Ze meent dat haar belangstelling voor het leven van de dichteres gerechtvaardigd is, aangezien Eybers zelf de nadruk legde op de 'therapeutische functie' die poëzie voor haar heeft. Zodat Jansen concludeert: 'De behoefte van lezers om meer over de mens Eybers te weten, wordt dus gevoed door hun vermoeden dat haar eigen persoon in het centrum staat van haar poëzie.' Waar we niet achter komen, is waarom de biografische informatie zo ongelijksoortig is; sommige zaken krijgen buitensporig veel, andere veel te weinig aandacht. Afwezig in het levensverhaal zijn bijvoorbeeld de kinderen van Eybers, van wie ze er drie achterliet in Zuid-Afrika.

Hoe dicht poëzie en biografie elkaar op de huid zitten, blijkt ook uit haar meest recente bundels. De inmiddels 84-jarige dichteres heeft het steeds vaker over het ouder worden, en lijkt zich in haar gedichten voor te bereiden op de dood. Waar ze vroeger twee tegenpolen tegenover elkaar liet staan, een pleidooi hield 'voor het behoud van een gebied tussen uitersten', doet ze nu een poging tot verzoening en integratie. Haar ontheemding betreft nu niet zozeer het 'hier' tegenover het 'daar', het 'hulle' tegenover het 'ons', maar een gevoel van vervreemding in het eigen krakkemikkige lichaam.

Zo blijft de ballingschap een constante, en Jansen toont zeer overtuigend aan dat die thematiek wordt versterkt door de vreemdheid van haar taal en wereld. De vraag is wel of het nodig was dit in Afstand en verbintenis, dat een bewerking is van een proefschrift, te 'bewijzen' aan de hand van een hele stoet literatuurwetenschappers. Om haar veronderstellingen over de vervreemdende werking van poëzie te onderbouwen, haalt Jansen niet alleen de Russische formalisten erbij, maar ook de semiotici, de receptie-esthetici, Iser, Ingarden, Bachtin en Kristeva.

Dat was in de oorspronkelijke, wetenschappelijke context wellicht zinvol, maar heeft voor de geïnteresseerde liefhebber van Eybers' poëzie weinig nut. Het is jammer dat er geen kordate redacteur is geweest die het hele theoretische negende hoofdstuk heeft geschrapt. Die had dan meteen een aantal stilistische slordigheden kunnen verbeteren. Maar proefschriften zullen wel altijd proefschriften blijven, en de lezer die dat hoofdstuk gewoon overslaat, houdt een prachtig boek over poëzie over.

Meer over