Tussen ziekte en zwakte

Is het gebrek aan wilskracht waardoor mensen aan drank of gokken verslaafd raken, of is het een aangeboren afwijking waar ze geen schuld aan hebben?

Zijn alcoholisten, stevige rokers en eetverslaafden ruggengraatloze types, te zwak om weerstand te bieden aan alledaagse verleidingen? Of zijn ze ziek en hebben ze een biologische aanleg die matigheid tot een onmogelijke opgave maakt? Het is een vraag waar we het als maatschappij maar lastig mee hebben. Het gangbare standpunt van niet alleen de verslavingszorg, maar ook van iedere meelevende burger is dat verslaving wel een soort ziekte moet zijn. Niemand drinkt, spuit of rookt zichzelf immers voor zijn plezier de vernieling in. Tegelijkertijd ontkomen de meeste mensen moeilijk aan de gedachte dat verslaving toch op zijn minst ook voor een deel op een gebrek aan wilskracht wijst. Zoals de Amerikaanse stand-up comedian Mitch Hedberg het ooit stelde: 'Alcoholisme is een ziekte, maar de enige waarover mensen tegen je gaan schreeuwen. 'Otto, je bent godverdomme een alcoholist!' 'Otto, je hebt godverdomme reuma!' Een van deze twee klinkt verkeerd'.'

De aanname dat verslaving een ziekte is, is van oudsher het uitgangspunt geweest van de verslavingszorg. In Ziek of zwak laat historica Gemma Blok zien hoe aan het einde van de negentiende eeuw de verslavingszorg in Nederland op gang kwam als tegenwicht tegen de gangbare werkinrichtingen en strafmaatregelen. 'Drankslaven', zo bepleitten de voorstanders van een medische aanpak, verdienden geen straf, maar compassie omdat zij de slachtoffers waren van beroerde omstandigheden en van een erfelijke aanleg: oorzaken die grotendeels buiten hun schuld lagen. Dat nam niet weg dat de begripvolle 'medische' behandeling voor een deel bestond uit een morele heropvoeding waarbij flink werd ingespeeld op het schuldgevoel met uitspraken als 'iedere borrel die je neemt, is gelijk aan een ei dat je je zieke dochtertje ontsteelt'.

Het ziektebegrip, zonder morele mitsen en maren, kwam pas echt op gang in de jaren veertig van de vorige eeuw dankzij het werk van de arts en onderzoeker E. Morton Jellinek. Hij onderscheidde in het verloop van de ziekte een aantal fasen. De eerste 'pre-alcoholische symptomatische' fase is nog sociaal: drinken met anderen, maar net iets meer. Dan volgt het stiekeme drinken en daarna wordt het kritiek met controleverlies, het goedpraten van drankgebruik en, vooral, de fysieke behoefte. De scheidslijn tussen de alcoholist en de stevige drinker is dat de eerste niet meer drinkt om zich plezierig te voelen, maar om zich niet ronduit beroerd te voelen. De voortdurende hunkering, of craving, drijft hem onvermurwbaar naar de fles. In de laatste, chronische fase tenslotte is de dronken roes dan ook de regel, het maatschappelijk vastlopen een feit en drinken een obsessie.

De Wereldgezondheidsraad nam de publicaties van Jellinek ter harte en erkende in 1948 alcoholisme als ziekte. Dat nam niet weg, laat Blok zien, dat medicalisering en moralisering altijd hand in hand zijn blijven gaan. Je kunt behandelen, steunen en medicijnen aanreiken wat je wilt, maar uiteindelijk moet iemand zelf de wilskracht bij elkaar schrapen om de dagelijks alom opgedrongen verleidingen het hoofd te bieden. Dat dat lang niet altijd lukt is niet alleen frustrerend voor de alcoholist maar ook voor de hulpverlening. In haar goed gedocumenteerde en prettig leesbare geschiedschrijving laat Blok zien hoe de hulpverlening ten aanzien van zowel alcoholisten als drugsgebruikers is opgeschoven van een beleid gericht op geheelonthouding tot een beleid gericht op schadebeperking: drinken of drugsgebruik, prima, maar leer hoe je het in de hand kunt houden.

Een antwoord op de vraag van de titel Ziek of zwak laat Blok in het midden hangen. De Amerikaanse hoogleraar neurowetenschappen David Linden doet daar in Genot als kompas minder moeilijk over. Voor hem staat vast dat verslaving een ziekte is en hij toont dat aan met een gedetailleerde gang door de hersenen. In de jaren vijftig hadden ratjes bij toeval de weg gewezen naar de kern van het probleem. Door een fout bij een experiment was een elektrode in een onbedoeld gebiedje van hun hersenen terecht gekomen. Ratjes leerden in geen tijd om als een razende op een hendeltje te drukken waarmee de elektrode het hersengebiedje stimuleerde. Ze drukten het hendeltje tot wel zevenduizend keer per uur in met verwaarlozing van verder alles, van eten, drinken en seks tot hun jonkies. Alleen stoppen met het experiment kon voorkomen dat ze zichzelf dood stimuleerden.

Het ontdekte hersengebied, het genotcentrum, is verantwoordelijk voor het genoegen dat we beleven aan voor het menselijk voortbestaan nuttige activiteiten als eten en seks, maar ook aan activiteiten als sporten, gokken, leren en iets goeds doen voor anderen. Het prettige gevoel wordt veroorzaakt door de dopamine die bij stimulering van het gebied vrijkomt. Het aantrekkelijke kenmerk van verslavende middelen als alcohol, drugs en nicotine is dat ze kunstmatig een chemische reactie in het genotcentrum veroorzaken die een zo grote vloed dopamine veroorzaakt dat de eenvoudige genoegens van het leven er bij in het niet vallen. Dat herhaald gebruik van deze middelen ertoe leidt dat zin in het middel verandert in een fysieke, dwangmatige behoefte is het gevolg, aldus Linden 'van een duurzame herbedrading van het brein'.

Linden weet in heldere taal gecompliceerde hersenprocessen uit te leggen, zoals hoe verschillende middelen ieder op hun eigen manier in de hersenen ingrijpen, waarom 80 procent van de beginnende rokers verslaafd raakt en maar 35 procent van de mensen die met heroïne beginnen, en hoe het opbouwen van een verslaving een leerproces is dat maakt dat na afkicken allerlei omgevingsfactoren voor een terugval kunnen zorgen. Genot als kompas is een leerzaam boek voor iedereen die in verslaving geïnteresseerd is. Wat wankeler wordt Linden als het aankomt op zijn stellige uitspraak dat verslaving geen zwakte maar een ziekte is. Genetische factoren, omstandigheden (zoals het voorhanden zijn van een middel: de gelegenheid maakt de dief) en stress maken dat sommige mensen aan die ziekte ten prooi vallen.

De ontwikkeling van deze ziekte valt, aldus Linden, buiten de verantwoordelijkheid van de verslaafde. 'Maar het herstel van de ziekte is wel degelijk zijn verantwoordelijkheid'. Zoals we van een hartpatiënt verwachten dat hij gezond leeft en zijn medicijnen slikt, verwacht Linden hetzelfde rationele gedrag van een verslaafde. Het is een manke vergelijking: hartpatiënten hunkeren doorgaans niet naar een volgende hartaanval. Is het dan redelijk om van de obsessief hunkerende verslaafde een vergelijkbare wilskracht te verwachten? Volgens Linden wel.

En daarmee is Linden met een cirkelredenering toch terug bij de zwakke wil: wie niet verantwoord en rationeel omgaat met zijn verslaving mag aantoonbaar aan een irrationeel makende ziekte in de hersenen lijden, hij is ook 'godverdomme een alcoholist'.

David J. Linden: Genot als Kompas

Uit het Engels vertaald door Kees de Vries.

Nieuwezijds; 240 pagina's; € 19,95.

ISBN 978 90 5712 314 6.

Gemma Blok: Ziek of zwak - Geschiedenis van de verslavingszorg in Nederland.

undefined

Meer over