Tussen Thijssen en Montessori

Bij de vernieuwingen in het basis- en middelbaar onderwijs werd de ideologie van de gelijke kansen gaandeweg vervangen door die van de diversiteit, concludeert Martin Sommer, na beluistering van de verhoren van de parlementaire onderzoekscommissie....

Drie weken zaten we op het schellinkje naar de hoorzittingen van het parlementaire onderzoek onderwijsvernieuwingen te luisteren. Drie weken was er slappe automatenkoffie, drie weken hoorden we dat het aan de motivatieproblemen van de leerlingen lag of aan Netelenbos en was er nauwelijks pers afgezien van de doorbijters van het ANP. Die armoeiige mediabelangstelling is wel het bewijs hoezeer Nederland wezenlijk niet in onderwijs is geïnteresseerd. En drie weken trok een bonte stoet zaakwaarnemers, schooldirecteuren, vakbonders, adviseurs en begeleiders, conrectoren, ministers, Kamerleden, werkgevers en managers voorbij.

Die optocht uit ‘het veld’ leverde de eerste opbrengst van deze hoorzittingen – het besef hoezeer de taaie overlegcultuur z’n stempel drukte op deze onderwijsvernieuwingen. Het idee van de basisvorming – alle kinderen tot vijftien, zestien jaar in één klas – kwam in 1991 tot stand omdat alle betrokkenen doodmoe waren van twintig jaar vruchteloos debat. In de woorden van ex-onderwijsminister Deetman: ‘Eén ding stond vast, we gingen niet nog eens een paar jaar nadenken.’

Later in de jaren negentig konden de Tweede Fase in het middelbaar onderwijs en het zelfstandige leren van het studiehuis er alleen komen omdat de staatssecretaris een schimmige managersgroep had ingesteld. Dat zogenoemde ‘procesmanagement voortgezet onderwijs’, met veel macht en weinig verantwoordelijkheid, drukte de vernieuwing bij de scholen door. En tot slot kwam de samenvoeging van diverse schooltypes tot het vmbo tot stand dankzij een staatssecretaris (Netelenbos) die met de vuist op tafel sloeg.

Haar politieke krachtpatserij zou je kunnen zien als een reactie op een palavercultuur waarin enthousiast vergaderd, maar weinig besloten werd. Het lijkt dus nogal makkelijk om Netelenbos achteraf van alles tot en met de erfzonde de schuld te geven. Ook zij hoorde bij dit Hollands Drama.

Wat vooral aan de oppervlakte kwam: het idee van gelijke kansen is in twintig jaar gaandeweg ingrijpend veranderd. Bij Van Kemenade betekende gelijke kansen: de middenschool. Allemaal tot je zestiende bij elkaar, zelfde uitgangspunt, zelfde programma, zelfde product. Dat bleef het uitgangspunt, al was de basisvorming daarvan uiteindelijk niet meer dan een verwassen uitvoering.

Sluipenderwijs kwam daar een ander idee van gelijke kansen voor in de plaats. Van Kemenade sprak met onverholen tegenzin over het studiehuis. Hij moest niks hebben van ‘die individuele ontplooierij’ – ‘als je er te veel van toelaat, kom je in spanning met gelijke kansen’. Individuele ontplooierij – proef de weerzin op de tong.

Een paar dagen later zat onderwijskundige Wynand Wijnen op dezelfde stoel, en die sprak over onderwijs dat ‘rekening houdt met verschillen, in plaats van het oude onderwijs dat verschillen probeerde te uniformeren’. Precies de tegenhanger van Van Kemenade.

Wijnen was een van de uitvinders van het nieuwe leren in Nederland. Hij legde de commissie uit dat het ‘probleemgestuurd leren’ zijn oorsprong had bij de stichting van de universiteit van Maastricht in 1973. De trend was individualisering, vertelde Wijnen, ieder z’n allerindividueelste onderwijs. ‘We moesten van onderwijzen naar leren.’ Die tegenstelling was volgens deze onderwijskundige even oud als die tussen Sparta en Athene.

Ook in Nederland is die tegenstelling al heel oud. Aan de ene kant had je Theo Thijssen, schrijver en begin vorige eeuw onderwijzer aan een arbeidersschool in Amsterdam-Oost. Thijssen hing het verheffingsideaal aan, en brak in het zojuist gratis verspreide boek De gelukkige klas een lans voor het klassikaal onderwijs – ‘juist die gebonden vrijheid vind ik voor de jongens zo goed’. Aan de andere kant had je hervormers als Maria Montessori of Kees Boeke, waar Thijssen niet veel van moest hebben, met hun ‘zachtere’ werkvormen waarin het kind ‘ontdekkend’ zijn omgeving leerde kennen.

Dit werd onlangs nog eens beschreven in het boekje Ruggengraat van ongelijkheid van onderzoeker Jaap Dronkers, ook door de commissie gehoord. Zijn opvatting is dat Kees Boeke het gewonnen heeft van Theo Thijssen. Zelfontplooiing werd het ideaal, het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau door zoveel mogelijk leerlingen verschoof naar de achtergrond. De verschuiving kun je zien in de vernieuwingen: de basisvorming was nog de uitdrukking van de oud-linkse gelijke kansen, het studiehuis en vooral het nieuwe leren werd de uitdrukking van gelijkwaardigheid van alles wat uiteenloopt. Hoe dat gelopen is, werd tijdens de verhoren mooi gedemonstreerd.

De filosoof Ad Verbrugge legde uit wat het denkraam achter het – door hem fel bestreden – nieuwe leren was. Dat ging terug op de jaren zestig en ik-ben-oké-jij-bent-oké-achtige ideeën. De Franse filosoof Foucault legde vervolgens het verband tussen kennis en macht. Kennis zelf is relatief. Kennis is de uitdrukking van de machtsrelatie tussen leraar en leerling. Daarmee is kennis suspect geworden. Dit was eind jaren zeventig van de vorige eeuw. Intussen is het wetenschappelijk debat allang weer weg van dit soort relativisme. Maar pas de laatste jaren is dit cultuurgoed zover gedaald dat het in gepopulariseerde vorm bezit heeft genomen van het Nederlandse onderwijs.

Het begon met de ongemerkt steeds dominantere aanwezigheid van didactiek en onderwijskunde, kortom aandacht voor de ziel van de leerling. Het eindigde met het streven dat iedere afnemer van onderwijs op eigen wijze zalig moest worden. Dat laatste kwam om verschillende redenen goed uit. Een ervan was dat Nederland steeds multicultureler werd, en het nieuwe leren met zijn ophemeling van diversiteit sloot daar naadloos bij aan.

Dat kwam tevoorschijn tijdens het verhoor van Bart Engbers, directeur van het Utrechtse Vader Rijn-college dat voor 90 procent Turkse en Marokkaanse leerlingen telt. Engbers vond dat het onderwijs moet aansluiten bij de belevingswereld van zijn leerlingen ‘en die zitten niet te wachten op een lesje Nederlands-Duits’. Die kinderen wonen thuis op tien hoog overdrachtelijk in het Rif-gebergte, aldus Engbers. Op straat zijn ze niet veilig, en in de bus krijgen ze te maken met razzia’s. Hij was ook tegen centrale examens, daar worden leraren maar onzeker van, en dan ‘gaan ze dingen doen die ernaast zitten’. Het kwam erop neer dat je die kinderen niet moet lastig vallen met hoge eisen, juist omdat ze in een achterstandspositie verkeren. Mag de school dan primair een veilige haven voor zulke kinderen zijn?

Zeker mag dat, maar de lakmoesproef blijft uiteindelijk hoe het is afgelopen met die gelijke kansen. Van de kinderen van het Vader Rijn college verdwijnt een fiks deel zonder diploma de straat op – tienduizend vmbo’ers landelijk op jaarbasis, alles bij elkaar 57 duizend jongeren vóór hun drieëntwintigste, ongeveer een kwart van het totaal.

Langs die meetlat lijken we met alle vier de onderzochte vernieuwingen niet echt veel opgeschoten. De basisvorming leidde niet tot het beoogde uitstel van selectie. Tegelijk met de invoering begonnen de scholen enorm te fuseren. Gevolg was dat kinderen met verschillende achtergronden helemaal niet mengden, zoals verhoopt, maar juist op een kluitje bij elkaar bleven zitten. De oprichting van het vmbo maakte de doorstroming naar de havo moeilijker. Het studiehuis bleek ook al geen gelijkmaker, aangezien methodes die meer aanspraak maken op zelfwerkzaamheid vooral geschikt zijn voor leerlingen die al een flinke algemene ontwikkeling hebben meegekregen, en bij uitstek niet voor kinderen van tien hoog in Utrecht.

Al bij al is het geen rozig beeld. Bijna zou je na drie weken schellinkje zeggen: waar is de nieuwe Theo Thijssen? In elk geval is één concreet resultaat, zij het vrijwel onopgemerkt, wel geboekt. Ronald Plasterk zei afgelopen zaterdag in de Volkskrant, als eerste minister van Onderwijs, officieel en geautoriseerd, dat het niveau van het onderwijs door de vernieuwingen is gedaald. Met die erkenning heeft dit parlementaire onderzoek zichzelf al ruimschoots terugverdiend.

Meer over