Tussen goed en fout in boekenland

Het is 20 juli 1940 als Meinoud Rost van Tonningen, diezelfde dag door Reichskommissar Seyss-Inquart benoemd tot Kommissar für die marxistische Parteien, het gebouw van uitgeverij De Arbeiderspers aan het Hekelveld - 'De Rode Burcht' - in Amsterdam binnengaat....

Bert Wagendorp

Hij heeft een afspraak met de algemeen directeur van het concern, Ybele Geert 'YG' van der Veen Hzn. De Arbeiderspers, in 1929 opgericht door de SDAP en het NVV, is uitgever van een van de grootste landelijke dagbladen, de sociaal-democratische krant Het Volk.

Rost van Tonningen, sedert 1936 ook hoofdredacteur van de NSB-krant het Nationale Dagblad, deelt Van der Veen mee dat De Arbeiderspers, waarbinnen diverse boekenuitgeverijen actief zijn, onder directe controle van de bezetter komt te staan, in de persoon van Verwalter H.J. Kerkmeester. Voor Van der Veen, die eerder al is bekritiseerd vanwege zijn te grote compromisbereidheid jegens de nazi's, is dat een doodsteek - letterlijk. Hij pleegt op 21 juli zelfmoord .

Het staat niet voor honderd procent vast, maar vermoedelijk verschijnt de eerste druk van de rijmprent De achttien doden van de dichter Jan Campert in maart of april 1943. Campert is enkele maanden eerder in een concentratiekamp overleden en de tekst is via Annie Maclaine Pont, lid van een Utrechtse studentenverzetsorganisatie, terechtgekomen bij Geertjan Lubberhuizen, student chemie.

Lubberhuizen ziet in het uitgeven van verzetsliteratuur een mogelijkheid om de kas te spekken van het Kindercomité, dat zich bezighoudt met het redden van joodse kinderen uit handen van de nazi's. Camperts gedicht wordt een verzetssymbool. In de bezettingsjaren gaan van deze allereerste uitgave van De Bezige Bij in diverse drukken vijftienduizend exemplaren onder de toonbank door. Pas op de vierde staat de naam van De Bezige Bij. Na de bevrijding wordt 'Het Lied van de Achttien Doden' pas echt een bestseller, met 63 duizend verkochte exemplaren.

De Arbeiderspers en De Bezige Bij: twee uitgeverijen die na de oorlog een zeer prominente rol zouden spelen, twee volkomen verschillende verhalen in bezettingstijd. Want hoewel de productie natuurlijk daalt, gaat het tijdens de Tweede Wereldoorlog helemaal niet slecht in boekenland. Een uitgeverij als Contact noteert tot het voorlaatste oorlogsjaar stijgende winstcijfers. Er wordt, vermoedelijk bij gebrek aan ander vermaak, flink gelezen. Nog in 1944 komen in Nederland 1847 nieuwe titels op de markt.

Adriaan Venema besteedde in zijn vierdelige werk Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie uitgebreid aandacht aan de uitgeverij in oorlogstijd - zij het niet altijd op onomstreden wijze - en recenter (2001) verscheen van Gerard Groeneveld Zwaard van de geest - Het bruine boek in Nederland 1921-1945. In 1992 publiceerde Groeneveld Nieuwe boeken voor den nieuwen tijd, over de 'foute' uitgeverij De Amsterdamse Keurkamer.

Boekhistoricus Groeneveld zal op 12 en 13 juni ook aanwezig zijn op het congres De Tweede Wereldoorlog en het boekbedrijf, waar Vlaamse en Nederlandse wetenschappers de literaire uitgeverijen ten tijde van de Duitse bezetting nog eens onder de loep nemen. Het congres, in het gebouw van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), is een gezamenlijk initiatief van de Universiteit van Antwerpen (UA), de Universiteit van Amsterdam (UvA), de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en het NIOD: een samenballing van kennis die wel tot een definitief oordeel over goed en fout móet leiden, zou je zeggen.

Maar daar gaat het dus niet om, zegt Hans Renders van de RUG, een van de organisatoren. Daarvoor is de materie veel te ingewikkeld en gecompliceerd - 'veel ingewikkelder nog dan we dachten'. De onderzoekers hebben zich gericht op het verschil tussen Vlaanderen, waar tijdens de oorlog een Militärverwaltung bestond, en Nederland, met een door de Duitsers gecontroleerd, civiel bestuur. Dat verschil leidde er onder meer toe dat in België het boekbedrijf min of meer op de oude voet verder kon gaan - zonder censuur vooraf - terwijl in Nederland door middel van lectoren - de genazificeerde afdeling Boekwezen van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten had er ongeveer 150 achter de hand - en papiertoewijzingsregels een preventieve censuur bestond.

Wat had dat voor gevolgen? En hoe werkte de fondsvorming tijdens de oorlog door na de bevrijding? Dat is de tweede centrale congresvraag. Renders deed zelf onderzoek naar De Bezige Bij, die zich na de oorlog krachtig als een verzetsuitgeverij afficheerde. Dat was natuurlijk niet onterecht, maar er vallen wel kanttekeningen bij te maken.

Hoe kon het bijvoorbeeld gebeuren dat een boek als Zes kaarsen voor Indië, een pleidooi van de hand van Laurens van Sint Laurens, een pseudoniem van Leonard Huizinga, voor een krachtige koloniale politiek, uitkwam bij het linkse, vrijheidslievende De Bezige Bij? Nog tijdens de oorlog verschenen van het werkje drie drukken bij een Haagse uitgever, meteen na de bevrijding plaatste de Rijksvoorlichtingsdienst een order bij De Bezige Bij en werden er veertigduizend exemplaren verkocht. In de eerste legale aanbieding na de bevrijding was het boek 'keurig weggeretoucheerd', zegt Renders.

Niet iets om onmiddellijk, à la Venema, de moralistische zweep voor uit de hoek te halen - wel opmerkelijk.

Meer over