Trucker

Het benzinestation ligt aan de Koperweg in Dronten, een rechte weg waar ook wat bedrijven aan liggen. Volg je hem een tijdje, dan kom je in het centrum van Dronten: Jumbo, Kruidvat, Meerpaal, Aldi....

Het is vrijdagmiddag en heet.

De chauffeur van Karsten staat in de winkel van het station, bij de grote, zwarte pan waarin de gehaktballen sudderen. Een pollepel steekt onder het deksel vandaan. Hij heeft er net eentje op een plastic schoteltje geschept en spuit nu een fikse klodder ketchup naast de bal. Het is een jonge man, met een grauwe kleur in zijn gezicht, en bloeddoorlopen ogen. Met een plastic vorkje begint hij in de bal te zagen. Zijn rug is gebogen, zijn vuile handen trillen.

Bij de pompen stoppen auto’s.

Mensen tanken, en komen sigaretten, ijs en frisdrank kopen. Je voelt dat het weekend voor de deur ligt. Het zijn mensen onderweg naar huis. De auto met een volle tank voor de deur, een fijn gevoel. Sommigen drentelen voor het rek met porno. Anderen kopen nog snel een zak drop. De jonge trucker zegt ineens, tegen niemand in het bijzonder, maar wel op luide toon: ‘Dat roken hè, dat doet me de das om. Ik hoest me ’s nachts de longen uit het lijf.’ Hij steekt een hap bal in zijn mond en kauwt.

‘Je moet er mee stoppen’, zegt een man die net twee pakjes Marlboro heeft gekocht en aan de hangtafel middenin de winkel een blikje Cola opent.

‘Dat lukt niet. Ik zit de hele dag in de wagen te roken’, antwoordt de chauffeur. Hij draagt een zwarte broek, Zweedse klompen en een wit T-shirt dat bijna grijs is. Ondanks dat hij een tengere man is, hangt de kleding ruim en flodderig om hem heen. Zijn donkere haar ligt nat van het zweet en verward op zijn hoofd. Zijn ellebogen zijn knokig, zijn armen dun. Hij kan nog geen dertig zijn, maar alles wijst al op een leven van zorgen en ploeteren. Alleen dat verdomde roken, en een sixpack bier na het werk bieden soelaas.

‘Stoppen is klote’, bevestigt de andere man – hij neemt een royale slok van zijn Cola en boert. ‘Hoe is die bal?’

‘Gaat wel’, antwoordt de trucker. Hij is een man die zich al overal bij heeft neergelegd. Voor hem geen goeie ballen, of misschien bij moeder thuis.

‘Nou, prettig weekend dan maar’, zegt de ander en hij loopt weg.

De jonge chauffeur zaagt weer met zijn vorkje in de bal. Het lullige plastic bordje schudt heen en weer in zijn hand, de ketchup schuift naar de rand, een paar druppels vallen op de grond. De jongen brengt zijn mond naar het bordje en schuift de rest van de gehaktbal in één keer naar binnen. Hij wendt zich iets af van de mensen die in de rij staan voor de kassa, hij wil niet dat ze hem met die grote kluit vlees in zijn mond zien. Het is een verrassend, en bijna ontroerend moment. Buiten stopt een gepimpte Subaru bij de pomp.

De jonge chauffeur scharrelt nu langs de counter waar de pan met de ballen staan, de dozen met vorkjes en bordjes, de flessen ketchup en mosterd, de bekers voor de koffieautomaat, suiker en melk. Hij zoekt servetjes die er niet zijn. Uiteindelijk veegt hij zijn handen af aan zijn broek en dan koopt hij een pakje Caballero.

Meer over