Treurlied

'Ophangen', roept de bejaarde man met stentorstem, zo luid dat voorbijgangers op de Stephansplatz nieuwsgierig blijven staan. 'Opknopen', herhaalt hij met roodaangelopen hoofd, 'het hele zootje, onmiddellijk!...

Grüss Gott! Moet dit de befaamde Weense gemoedelijkheid voorstellen? Erg gemütlich kun je dit hoekje onder de Stephansdom niet noemen, zeker niet nu de oude baas weerwoord krijgt van een al even verhitte, boomlange jezusfiguur, die nerveus aan zijn puntbaard zit te trekken. Of zijn geëerde stadgenoot niet de proporties uit het oog wil verliezen: 'Arresteren akkoord, maar aan nog meer beestachtigheden is da unten echt geen behoefte meneer.'

Unten is natuurlijk Bosnië, waar de oorlog heeft huisgehouden, op nog geen dagreis afstand van de Stephansplatz. Ook Wenen is door elkaar gerammeld. Zo'n tachtigduizend Bosniërs hebben de ellende in hun land achter zich gelaten en proberen nu of dat kan: beetje bij beetje van Bosniërs in gewone Oostenrijkse staatsburgers veranderen. Overal in de stad tref je hun sporen aan. Bij de tramhalte hoor je even vaak Duits (of Weens, wat iets anders is) als een Slavische tongval, de straatmuzikant in het centrum is negen van de tien keer een Oosteuropeaan, en de toerist die in de korte broek zijn zoveelste Weense barokkerk binnenstapt kan tot zijn schrik ontdekken dat hij met zijn plompe tred midden in een eredienst van de Kroatische gemeente is beland.

En zelfs op de met terrasjes volgebouwde Stephansplatz ontkom je er dus niet aan. Herbert Loitsch, de man met de profetenbaard en de gezondheidssandalen, vouwt er elke ochtend zijn behangerstafel uit, die hij met foto's, affiches ('Hilfe für die Vergessenen') en collectebussen verandert in een actiecentrum voor de burgers van Bosnië.

Op stadgenoten heeft Loitsch een opmerkelijke uitwerking. Zo'n beetje elke Weense passant die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt reageert met korzelig commentaar op zijn appèl, en aangezien Loitsch geen geduld opbrengt voor de vaak geventileerde mening 'dat ze hun rommel daar zelf maar moeten opruimen' kan door de omstanders van menig twistgesprek worden meegenoten.

'Dat ze het nou niet zíen', bromt de energieke activist. Loitsch is 'eigenlijk' beeldend kunstenaar, maar sinds hij in 1992 tijdens een vredesmars naar Sarajevo met eigen ogen het 'onnoemelijke leed' aanschouwde, kan de kunst hem niet meer zo boeien. Dat ze het niet zien - dat Wenen zich niet langer kan verliezen in die versleten dromen van Sissi, Strauss en Sachertorte, moppert hij.

Wenen ligt niet meer te dommelen aan de rand van West-Europa. Oorlog en open grenzen in het oosten hebben de stad de plek op de kaart teruggegeven die zij innam in de glorietijd van de Donaumonarchie. Wenen heeft weer een rol te spelen in Midden-Europa, en als Loitsch daar niet van getuigt dan doet de Tsjechische accordeonist dat wel, die even om de hoek een erbarmelijk treurlied inzet.

Verderop op het plein zoeken ronselaars publiek voor de zich alom in André Rieu-stijl voltrekkende Strauss-concerten. Een meisje in een gele palfreniersjas en dito kuitbroek probeert een Koreaans echtpaar te strikken voor een walsfestijn. Makkelijk gaat het niet, bekent ze. Kun je horen dat ze geen Weense is? Ze trekt een gezicht. Esma Talic komt uit Bosnië: 'Vier jaar geleden heb ik Kozarac verlaten. Het was een mooie, kleine stad. Nu is alles kaputt natuurlijk.' Dat vindt ze wel genoeg informatie over haar verleden. Groter nieuws is dat ze nu pedagogiek studeert; voor de universiteit begint verdient ze wat extra Schillingen door als barok-relikwie door de stad te paraderen. 'Iedereen wil me fotograferen, maar toeristen zijn zuinig op hun centen.'

's Avonds stopt Esma een paar bankbiljetten in Herbert Loitsch' collectebus. Voor de vrienden in Banja Luka.

Erik van den Berg

Meer over