Travellin' light

Het mooiste vervoermiddel voor romantische reizen vol ontberingen is... de leunstoel. De bereisde Olaf Tempelman legt uit.

Elke reis kent dagen die je beter in boekvorm kunt beleven dan in het echt. Zo verkeerde ik in augustus 1998 in Albanië om en nabij dertig uur in de hel. Ik lag op bed in aircoloos heet beton in de hoofdstad Tirana. Boven mijn hoofd cirkelden vliegen van de niet discrete soort, buiten werd nog sporadisch in de lucht geschoten met een jaar eerder uit kazernes buitgemaakte kalasjnikovs. Gevaarlijk was Tirana al maanden niet meer, wel vuil, stoffig en warm. Voor wie er deze maand nog heen wil: november is beter!


De lieve Albanese familie bij wie ik logeerde maakte zich zorgen over mijn snel verslechterende toestand en haalde er een Frans sprekende dokter bij. Die zag het meteen: 'Les salmonelles, monsieur.' De meest waarschijnlijke bron was het Albanese woord voor ijs: akullore. 'Met dit weer, monsieur, kunt u het beter houden bij biscuitjes.' Daarvoor was het moment helaas gepasseerd. Na ongeveer dertig uur, voorspelde de arts met de rustige toonzetting van een deskundige, houdt het braken op. Het klopte praktisch op de minuut, maar psychologisch duurden dertig uren dertig dagen.


Hoeveel aangenamer is het over de salmonella en haar verwanten te lezen. Ik ben vaker ziek geweest in minder comfortabele omstandigheden, maar zeker niet zo vaak als de Zwitserse schrijver en wereldreiziger Nicolas Bouvier (1929-1998). De wegen van de wereld is een van de mooiste reisboeken van de 20ste eeuw, vanwege een melange van 'momenten waarvoor het woord geluk te mager en te beperkt is' én momenten waarvoor het adjectief 'vervelend' ontoereikend is. Zoals daar zijn: voedselvergiftigingen van Turkije tot India, later aangevuld met malaria - we reizen in 1954.


Bouvier bezit een speciaal talent voor het beschrijven van insecten die het bezwete hoofd van de zieke, horizontaal gepositioneerde reiziger onweerstaanbaar vinden. Middelgrote spinnen en 'vormloze vliegen': ik verkies de papieren versie. Geniet er bij voorkeur van in de avondkoelte in een fijne stoel met een goed glas.


In een later werk, De schorpioenvis, vertoeft Bouvier op Sri Lanka. Eigenlijk is hij het hele boek lang ziek. In ernstig verzwakte toestand krijgt hij een inmiddels twee maanden oude brief van zijn verloofde in Genève. Zij meldt met een ander naar het stadhuis te zijn gegaan. Het is geen wonder dat Céline het motto van De schorpioenvis mocht leveren: 'De ergste nederlaag is te vergeten waaraan je kapot bent gegaan.' Lees De schorpioenvis bij voorkeur dicht bij huis, een eventuele partner in de buurt: het is een schitterend boek.


Reizigers van alle tijden weten dat van huis gaan meer behelst dan 'ontdekken' en - Hollands modewoord - 'genieten'. Elke enigszins avontuurlijke vorm van reizen gaat gepaard met fysieke ontberingen, kleinere en grotere rampen. Als we in onze leunstoel op reis gaan met een auteur, zijn we op een haast perverse manier bevoorrecht. We kunnen proeven van de intensiteit van alle soorten rampen op reis zonder zelf te hoeven lijden.


Een Echte Ramp voor reizigers van alle tijden is het verlies van Iets Belangrijks. Een kledingstuk of een ticket kun je vervangen, een dagboek of notitieblok niet. In juni 2001 vergat ik een tot op de achterkaft volgekladderd A4-blok in een Servische trein en vond het ondanks inspanningen niet terug. Interviews, landschappen, politieke slogans op muren, taferelen op straat - allemaal kwijt. Twaalf jaar na dato knaagt het nog steeds.


Hoeveel aangenamer is het in de leunstoel over zulke rampen te lezen. Gastro-enteritis, hoogteziekte, autopech: Nicolas Bouvier wanhoopt nooit - tót de schoonmaker van een Pakistaans hotel in de zomer van 1954 al zijn schriften met aantekeningen weggooit. Transcripties van nachtelijke gesprekken met mensen die hij nooit meer zou terugzien, 'heel die gedempte, duistere, voorgoed voorbije winter, beschreven in het licht van een petroleumlamp' - allemaal naar het grof vuil. Tijdens een vergeefse zoektocht op een Pakistaanse vuilnisbelt wordt Bouvier onwel door giftige dampen en aangevallen door aasgieren.


'De Pakistaanse vuilnisbelt' is een van de literaire hoogtepunten uit De wegen van de wereld. Wij lezers huiveren, en kunnen tegelijk onze stoel zachtjes voelen schommelen.


In de ochtend van 13 juli 1873 verkeerde de Russische officier en wetenschappelijk reiziger Nikolaj Przjevalski (1839-1888), de officiële ontdekker van de wilde kameel, in het hooggebergte op de grens van Tibet en Mongolië. Als uit het niets barstten stortregens los. Vele uren hielden ze aan en spoelden alle dozen met materiaal van een botanische en zoölogische expeditie van maanden weg. 'De ramp was zo onverwacht, de ravage zo totaal, dat een gevoel van apathie me overviel...' Voor de lezers die Przjevalski nog altijd heeft, is die ramp anno 2013 in literaire vorm nog bijna net zo overrompelend. Stel dat die wolkbreuk niet had plaatsgevonden, dan waren de dozen in Moskou aangekomen en een voetnootje geworden in een botanisch geschiedenisboek.


Iets heel anders. Houdt u toevallig ook van Debussy, Mompou of het werk van het Miles Davis Quintet uit het midden van de jaren zestig? Dan weet u net als ik dat je dat nooit hoort op plekken die je uitkiest als reisbestemming. Altijd weer blijken daar anderen met een Vreselijke Smaak de baas over de muziek. Laten we het volgende open en eerlijk onder ogen zien: heel veel mooie plekken worden verpest door minder mooie soundtracks. U werpt wellicht tegen dat minder goede wijn ook reisgeluk om zeep kan helpen. Ik zeg dan: verkeerde wijn is ook vervelend, maar je kunt die fles teruggeven of het onheil met mineraalwater bestrijden. Bijna nergens ter wereld kun je je permitteren korte metten te maken met muziek die medegasten wél mooi vinden of overduidelijk niet stoort.


In de leunstoel heb je behalve de macht over de bestemming ook die over muziek en stilte. Het zou kunnen dat u net als ik de dag graag begint met een stukje uit het Wohltemperierte van Bach of Music for Airports van Brian Eno. Vergeet het maar in de hotels van deze wereld. Zelfs in de smaakvolste ontbijtruimtes van de mooiste fin-de-sièclegebouwen krijg je Hello van Lionel Richie of Another Day in Paradise van Phil Collins. De James Last- of Mantovani-versies van deze nummers zijn zo mogelijk nog erger dan de originelen, en zelfs die zijn nog te prefereren boven flatscreens die staan afgestemd op een lokale MTV-kloon met machinale beats.


Geloof het of niet, zelfs zo'n flatscreen kent nog een overtreffende muzikale ramp, in de vorm van het elektrisch versterkte huisorkest dat Hello van Lionel Richie op het repertoire heeft staan. Vooral in oostelijk Europa zijn dit soort coverbands actief op mooie plekken waar wordt gegeten. Ze hebben meestal pauze als je op een terras plaatsneemt. Zodra je besteld hebt, is de pauze voorbij en maken decibellen elk geanimeerd gesprek onmogelijk. In westelijk Europa verlaten mensen een rockconcert soms met pieptonen in de oren, in oostelijk Europa kan een avondje restaurant in hetzelfde voorzien.


De Russische schrijver Konstantin Paustovskij (1892-1968) hoorde aan de stranden van de Zwarte Zee een teder ritselen. Toen ik hem voor mijn boek over de Zwarte Zee achterna ging reizen, moest ik me vaak ver van idyllische plekken verwijderen om dat geritsel óók te kunnen horen. Waar mensen zijn en de elektriciteit niet uitvalt, is vaak ook boemboem-muziek. Ik kan u geheimtips geven over plekken die nog teder ritselen. De kortste en goedkoopste weg voert naar de leunstoel en zo'n ontspannings-cd van het Kruidvat waarop je de golven hoort breken.


'Je denkt dat je een reis maakt, maar uiteindelijk is het de reis die jou maakt, of breekt', is een aforisme van Nicolas Bouvier. Iedere reiziger die zich weleens buiten de Schengenzone begeeft, weet dat 'reisbrekers' vaak de gedaante hebben van douaniers. Een opsomming van mijn minder mooie ervaringen bij grensposten is een vorm van traumaverwerking waarmee ik niemand een plezier doe. Eén voorbeeldje: mij 'brak' de reis om de Zwarte Zee al bijna in het begin, toen de douanier van een stoffige Moldavische douanepost weigerde mijn auto door te laten en daar pas na uren van administratieve vernederingen, getraineer en het loszuigen van 20 euro smeergeld toe overging. Ik was al bijna bezig om te keren.


Veel landen laten zich alleen bezoeken na flink wat administratieve voorbereiding. Wie bijvoorbeeld een visum voor India aanvraagt, kan door de ambassade worden ontboden voor een kruisverhoortje over eventuele banden met Pakistaanse terroristen. In een rij met andere potentiële verdachten mag je drie uur op je beurt wachten. Nog lastiger is het bezoeken van landen die niet officieel zijn erkend. Fotograaf Marco van Duyvendijk is in 2008 minstens een half jaar bezig geweest om ons toegang te verschaffen tot het niet door de VS en de EU erkende ministaatje Abchazië.


Reizen zonder leunstoel: het begint met wachten op een visum of een broek die afzakt bij het antibommen-poortje op Schiphol. Het eindigt met samentrekkende darmen en een onsympathiek uniform dat ons bezweet en bestoft toeroept: 'Document!'


Is het niet fijn als om al die douaniers en terrorismebestrijders in één enkele manoeuvre te omzeilen? Het kan, met Paul Theroux, V.S. Naipaul of Cees Nooteboom, om zomaar een paar Beroemde Reizigers te noemen. Ze waren vaak eerder dan wij op moeilijk bereikbare plekken. We kunnen de juiste selectie maken uit hun oeuvres en dat van de nabije slijterij, en plaatsnemen in de schommelstoel. Hele werelden worden voor ons in goede zinnen ontsloten.


Het grootste voorrecht van leunstoelreizigers is van een andere orde: alleen zij hebben nog toegang tot plekken die je in het echt niet meer terugvindt. Wat niet meer bestaat, kan soms nog wel worden bereisd.


In het roze licht van de opkomende zon zie ik het paleis van de lamaïstische heerser, nog ver weg, maar nu al majestueus en indrukwekkend. Al bij de eerste aanblik is Tibets hoofdstad Lhasa betoverend. De lucht is helder, droog en koud, de hemel is lichtgevend. Ik ben in Lhasa! Twee maanden mag ik vrij rondlopen in het lamaïstische Rome! Ik zal tot de top van de Potala klimmen, de grote legendarische kloosters in de omgeving bezoeken, getuige zijn van de religieuze ceremonies...


Wat u vermoedt, is juist: de 'ik' uit bovenstaande alinea is niet de auteur van dit stuk. Het fragment is een vrije vertaling van een stukje uit My Journey to Lhasa (oorspronkelijke titel: Voyage d'une parisienne à Lhasa) van Alexandra David-Néel, voor het eerst gepubliceerd in 1927. Hier is duidelijk iemand uit een andere tijd op reis. De dalai lama ('de lamaïstische heerser') zetelt sinds 1959 niet meer in het Potalapaleis, de 'legendarische kloosters' zijn verwoest door vooruitgangsbrigades van de Volksrepubliek China.


Waar de Belgisch-Franse schrijfster en boeddhiste tussen de Tibetaanse pelgrims liep, tref je nu, gok ik, zwarte SUV's van Chinese zetbazen. Zoals Alexandra David-Néel (1868-1969) Tibet zag, kunnen we het niet meer zien, ténzij we haar lezen. In My Journey to Lhasa ligt de weg naar Lhasa nog altijd open.


Eén waarschuwing: wie in het boek begint, wordt wel bevangen door een gestaag sterker wordende wens Lhasa zelf te bezoeken, al was het maar om met eigen ogen te kunnen zien wat er van over is. Ik hoop dat mij die eer nog te beurt valt.


Elke vorm van reizen kent zijn bijwerkingen, met leunstoelreizen is het niet anders. Het verlangen de koffer te pakken en van huis te gaan, met het risico ziek te worden, in hotelkamers met vlooien te slapen en dagen door te brengen bij grensposten, is de meest gerapporteerde bijwerking van alle in dit stuk genoemde boeken. Een reis die begint in de leunstoel, eindigt vaak toch nog ver van huis.


MARCO POLO

Wie als een der eerste Europeanen wil kennismaken met papiergeld, kan terecht bij Marco Polo, De wonderen van de Oriënt, anno 1299 in de gevangenis gedicteerd en 700 jaar later nog sensationeel. Hij vertelt over de Mongoolse Khan die in Peking heerst en het monopolie bezit op de inname van zilver en goud. De bevolking is tevreden met op maat gesneden stukjes witte bast van moerbeiboom. Handelaren zijn enthousiast. 'Met dit papiergeld kunnen ze in het hele Rijk kopen wat ze willen, terwijl het ook nog eens veel lichter is om mee te reizen.'


AFGHANISTAN

Weinigen van ons hebben de laatste jaren de kans gehad Afghanistan met eigen auto te bezoeken zonder te stuiten op mijnen en antiwesterse sentimenten. Lezers van Nicolas Bouviers De wegen van de wereld rijden Afghanistan binnen in een Fiat Topolino uit 1953. Afghaanse douaniers zijn goedmoedige lobbesen die eenzaam in de woestijn zitten te roken. Lang verlopen visa stempelen ze gewoon af. Autoreizigers laten ze alleen wachten als er een hoertje op bezoek is. Kandahar is met zijn 'stille en koele aarden straten' een oase van rust. Op Kabul, 'met zijn gordel van populieren, zijn zachtpaarse bergen en vliegers die in de najaarshemel boven de bazaar zweven', raken we onmiddellijk verliefd.

Meer over