Tragische levensverhalen verpakt in puntgave poëzie

PJOTR VAN LENTEREN

Ze kon niet meer goed lopen, want haar heup was erg versleten. Ze kreeg een scootmobiel van de gemeente, dat was fijn.

Nu kon ze zelf weer groente halen voor het avondeten.

Het was een handig ding, ze mocht er zelfs mee in de trein.

Ze schaakte met de buurman. Of alleen, op de computer.

Ze had het naar haar zin, ze was gewend aan het verdriet.

Maar als op straat een jongen zei: 'Hé oma, mooie scooter!', dan riep ze knorrig: 'Aan de kant, ik ben je oma niet.'

Dit treurige vers over het leven van een dame die geen kinderen kon krijgen, heeft ook een zonnige kant: Mevrouw Verweerd wordt geadopteerd. Annabella en Jeroen nemen haar op in de familie op een zondag na de lunch. Hoe dat zo is gekomen, lezen we in het tegenoverliggende gedicht, dat verhaalt over dezelfde mevrouw, maar dan als hoogbejaarde in een verzorgingshuis. Aan de kant, ik ben je oma niet van Bette Westera en Sylvia Weve is gevuld met twaalf van deze tweeluiken. Op de voorkant staat een portret van een bejaarde nu, achter de flap lezen we over diens jeugd. Dat levert aardige contrasten op en soms een grappige verklaring voor vreemd gedrag. En soms een ingrijpend, levensbepalend voorval.

De bijna 100-jarige Meneer Van Mandersloot bijvoorbeeld, moet huilen omdat hij de laatst overgebleven veteraan is van de oorlog. Hij krijgt een brief van koningin Beatrix, met het verzoek of hij een krans wil leggen. Achter de flap lezen we, intiem en kwetsbaar, hoe hij als 'blonde soldaat' thuiskomt met de spullen van zijn gesneuvelde beste vriend en zich ontfermt over diens jonge weduwe.

Mevrouw De Vries kan het niet laten om op ladders te klimmen tot de bewaking haar eraf moet halen. Maar ja, ze was vroeger dan ook acrobaat. Mevrouw Van Veen wordt elke zondag in bad gedaan door haar zeven zoons, precies zoals zij dat vroeger deed met hen. Ontroerend zijn de twee gedichten over de Turkse meneer Zeybek, die een schoonmaakbedrijf had en nu nog steeds de thuiszorg helpt met poetsen. Westera heeft een persoonlijk hoogtepunt bereikt in haar dichtkunst. Klonken haar gedichten tot nu toe nog niet altijd even natuurlijk - ze verslikte zich soms met een woord dat niet in het ritme paste of liet zich tot rare constructies forceren door het rijm - álle verzen in Aan de kant, ik ben je oma niet zijn puntgaaf. Ook de vormgeving met illustraties van Sylvia Weve en een knipoog naar de jaren vijftig, is sterk, origineel en goed doordacht. Dat Westera en Weve een bijzonder duo vormen, weten we al wat langer. Ze wonnen in 2011 een Zilveren Griffel voor Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen. Dat was misschien te vroeg, want aan die bundel mankeerde nogal wat. Een te dik en te groot boek met piepkleine hoofdpijnlettertjes en lang niet elk gedicht van voldoende niveau. Hier hebben Westera en Weve zichzelf pas echt ontdekt en een perfecte balans gevonden.

Over het volwassen onderwerp van sommige gedichten ('Ze moesten vaker vrijen en dat vond hij geen bezwaar') zeuren we maar niet meer. Kindergedichten zijn het niet allemaal, maar Westera heeft misschien wel een nieuw genre uitgevonden: gezinspoëzie. Om samen te lezen. Het vooroordeel dat alles wat rijmt uitsluitend voor kinderen is: daar moesten we al langer van af. Televisie en tablet uit en samen rond de tafel met dit fijne boek. Is dat wat Sylvia Weve met haar zo bij die tijd passende illustraties bedoelt? We kunnen zonder overdrijven vaststellen: Aan de kant, ik ben je oma niet is de origineelste dichtbundel voor kinderen sinds jaren.

Bette Westera en Sylvia Weve: Aan de kant, ik ben je oma niet!

Gottmer; 60 pagina's; € 19,95.

ISBN 978 90 2575 075 6.

Vanaf 6 jaar, voor alle leeftijden.

undefined

Meer over