Tragédie de Carmen

Aan stemmen met potentie ligt het niet en evenmin aan de muziek, dat zit wel snor. Maar de voorstelling blijft steken in zingende personages die samen geen verhaal vertellen.

FRITS VAN DER WAA

La Tragédie de Carmen, door de Nederlandse Reisopera o.l.v. Bas Wiegers en Gable & Romy Roelofsen

Rabotheater, Hengelo, 1/11

In de opera Carmen ligt het noodlot aldoor op de loer. Bij de Nederlandse Reisopera wordt dat er nog wat extra ingepeperd. Te pas en te onpas hebben de protagonisten messen in hun hand en al in de openingsscène staat er een doodskist midden op het toneel, met daarin, zo blijkt, een danseres die het personage van de zingende Carmen verdubbelt.

We hebben dus te maken met een terugblik. Dat klopt met het oorspronkelijke verhaal van Prosper Merimée, waarin dader Don José verhaalt hoe hij tot zijn crime passionel is gekomen. Zo wilden Marius Constant en Peter Brook het toen ze in 1983 Bizets beroemde opera - met behoud van alle succesnummers - inkortten tot La Tragédie de Carmen.

Zo'n vestzakopera leent zich goed voor het jong-talentprogramma van de Reisopera, die hier in elk geval een paar stemmen met potentie heeft ingezet. De van oorsprong Zwitserse mezzo Anna Traub is een sterke Carmen, vooral wanneer haar donkere geluid in de laagte omslaat naar het kelige. Tegenspeler Deniz Yilmaz heeft een tenor die tegen het lyrische aan ligt, maar zeker niet te dun is. Toreador Escamillo daarentegen krijgt bij de wapperende bariton Simon Wallfisch een weinig manhaftige gestalte. Sopraan Francis van Broekhuizen (Micaëla) levert een solide, zij het bescheiden bijdrage, maar draait intussen al zo lang mee in het jongezangerscircuit, dat het tijd wordt dat ze daar uit komt.

Met de muziek zit het wel snor, mede met dank aan dirigent Bas Wiegers en het Nederlands Symfonieorkest (voorheen Orkest van het Oosten). Desondanks blijft de voorstelling, die volgend seizoen wordt hernomen, veel te veel op afstand. Dat komt door de regie van Gable en Romy Roelofsen, twee theatermakers die als Het Geluid Maastricht veel op hebben met multidisciplinariteit, maar kennelijk toch niet genoeg met opera. Muziek is voor hen zo te zien eerder een geluidsding dan iets met een strekking of een verloop.

Van enige interactie tussen personages is nauwelijks sprake: ze dolen op voorschrift rond over het toneel en kijken elkaar nauwelijks aan. Carmen is hier meer priesteres dan femme fatale en José blijft van begin tot eind een zingende jonge man met overgewicht.

De opeenvolging van scènes mist samenhang en de bijdragen van de niet-zingende spelers detoneren soms flink. Wat het Roelofsen-duo teweegbrengt, is vooral een Carmen-'gevoel'. Zelfs voor een voorstelling van anderhalf uur is dat niet helemaal toereikend.

undefined

Meer over